In de heerlijkheid Westerwolde, daar waar de Runde vanaf het Bargerveen komende uitmondt in de Ruiten Aa, ligt op een zandplaat, verscholen in de bossen, het Klooster Ter Apel. Het is september 1606. Johannes zit in de priorkamer. Hij is net terug van zijn rondgang over de kloosterenclave. Veel meer dan een moestuin is het niet meer. Sinds het vertrek van de meeste broeders is er gewoon te weinig mankracht. De pachtboeren doen het beter en zijn Johannes nog goed gezind. Het kloosterbos biedt een treurige aanblik. Er zijn weer eens bomen gekapt. Van de daders natuurlijk geen spoor. Verder is het dak van het Ossenschot bij Hanetange ingezakt. Dat moet voor de winter hersteld worden. Maar door wie?
Johannes is nu tevens predikant van de Hervormde Kerk en dan is er nog het gasthuis. Er zijn nog maar een paar broeders en die zijn ook al op leeftijd. Ze mochten destijds blijven en die hielpen Johannes daar waar het kon maar er was gewoon teveel werk. Johannes had gevraagd om personeel aan te mogen nemen. Er was weerstand tegen. Men was bang dat Johannes ze de katholieke geloften zou laten afleggen. Wat een onzin. Johannes was nu toch predikant? En hadden ze hem niet zelf toestemming gegeven om te trouwen? Nou ja, uiteindelijk zullen de extra arbeiders er wel komen want het Klooster was een belangrijke schakel in de voedselvoorziening. En er was in dit ruige gebied behoefte aan veilig onderdak voor reizigers. De Staatsen konden helemaal niet zonder Klooster Ter Apel. Zijn vrouw Anna was goed voor hem. Ze was slim en hielp Johannes met het bestieren van het gasthuis en de landerijen. Al ging het wel wat langzamer allemaal, nu hun dochter Hendrikje er was.
De priorkamer van het klooster was nu de woning van Johannes en Anna. Hij legt het hoofd achterover en sluit zijn ogen. Meteen is hij weer terug in 1587. Hij was net gekozen als abt of hij kreeg de zwaarste taak van zijn leven. Er waren een aantal vrouwen opgepakt. Ze werden beschuldigd van hekserij. Johannes moest naar de burcht te Wedde om het proces te leiden. Wat wist hij nou van heksen? Maar hij was een vooraanstaand vertegenwoordiger van de kerk en hij had er maar te zijn. Wie anders dan een priester kon weten wat de duivel allemaal uitspookt? Hij kon sindsdien nauwelijks een nacht doorslapen. Steevast werd hij wakker van het gegil en gekrijs van de vrouwen. De beul van Farmsum had zichtbaar plezier in zijn werk.
Plotseling werd de deur van de priorkamer opengegooid. Twee naakte vrouwen stormden naar binnen. Ze zagen er vreselijk uit, overal wonden en brandplekken en besmeurd met hun eigen vuil. Ze gilden het uit: „Johannes! Johannes! Red ons!“ Vlak daarachter kwam de beul binnen, zijn lederen hoofdkap hing in zijn nek. Zijn gezicht nat van het zweet. In zijn hand hield hij een roodgloeiende pook waarmee hij in de richting van de vrouwen prikte. „Kom hier, ik zal jullie je heksenwerk afleren!“ Met drie grote stappen stond hij bij Johannes. Hij hief zijn pook omhoog om uit te halen en met zijn andere hand greep hij Johannes bij de keel. „Voor jou is er ook een brandstapel....!“ Johannes schreeuwde het uit. Hij schopte met zijn benen en maaide met zijn armen.
„Johannes! Johannes wordt wakker.....“, het was Anna. Haar koele hand op zijn wang, Hendrikje nestelde zich op zijn schoot. “Waren de vrouwen weer op visite?“ „Ja, de beul kwam ook weer eens langs....“, zuchtte Johannes. „Er is bezoek voor je.....“ zei Anna. Twee heren uit Groningen zaten in de refter. Anna had ze voorzien van eten en drinken. De broeders hadden de paarden uitgespannen en het rijtuig stond al in de schuur. Ze zouden 1 nacht overblijven en morgenvroeg zouden ze weer vertrekken richting Groningen. Johannes fatsoeneerde zijn uiterlijk zo goed en zo kwaad als mogelijk en begaf zich naar de refter. Hij heette de heren welkom en schoof bij ze aan. Anna bracht een kruik bier. „Goed nieuws Johannes!“ zei de oudste en hoogste in rang. „Je kunt werkvolk aannemen. Je geeft ze kost en inwoning en een paar stuivers loon. Maar let op! Het tiendengeld blijft. Je haalt het maar uit de extra opbrengst die ze je zullen opleveren. En nog wat; we willen morgen een vat bier en 2 zak meel op de wagen. En flink vol Johannes! Geen aangebroken rommel. Het zou jammer zijn als de wintervoorraad hooi in brand vliegt. Begrijpen we elkaar.....?“ Johannes knikte gedwee. Ook Anna hield haar mond. Zij zou vannacht met Hendrikje bij de dienstmeiden op zolder slapen, in een kamertje achter de ziekenzaal. Daar waren ze veilig. De Groningers zouden vanavond dronken worden en schreeuwen om meer bier.