We hebben een grote tuin. Ruim 1400 vierkante meter.
Gelukkig staat ons huis er ook op, dat scheelt. Verder is er veel straatwerk,
vooral van toen ik nog marktkoopman was. Eigenlijk had ik beter een markt op
mijn eigen plein kunnen organiseren, dat had een hoop kilometers gescheeld.
Verder is er veel gras waar elk jaar 60 kilo kalk op gaat tegen mos. En naast
ons huis, aan de straatkant, hebben wij een siertuin. Oorspronkelijk lag er
gras, toen wij er kwamen wonen heeft een kennis van mijn schoonvader zaliger er
een heleboel struiken en bomen in gepoot en dat zag er aanvankelijk niet slecht
uit, maar gaandeweg maakte moeder natuur er steeds meer een puinhoop van. Er
werd wel eens een kleine hint uitgedeeld. Zo van “Elke tuin heeft onderhoud
nodig….”. Mwoa, het zal wel. Soms groeide er een mooi plantje en dat werd elk
jaar groter en verscheen op meer plekken en ik vond dat een bonus van moeder
natuur. Gratis bodembedekkers. Maar mensen die er voor hebben doorgeleerd wisten
te vertellen dat dat leuke plantje onkruid is. Dat heb ik nooit begrepen. Noem
het plantje dan geen onkruid maar geef er een welluidende naam aan en het
probleem is over. Maar zo werkt het niet.
Vorig jaar, of twee jaar
geleden, kwam er tegenover ons, aan de overkant van het kanaal, een tuinman
wonen. Hovenier heet zo iemand tegenwoordig. Een echte, met machines en gereedschap
en aanhangers en wat dies meer zij. En die heeft er ook voor doorgeleerd. Dus het jonge gezin had de gordijntjes nog maar koud voor de ramen of ik stak de brug over en
klopte op het keukenraam. De deur ging open en ik kreeg koffie. Gevulde koek
ook nog. Na enige tijd wees ik op de groene hel naast ons huis en vroeg: “Kun
jij daar wat mee?”. Nou, dat kon hij
wel. Ik heb wel bedongen dat er een flinke portie steen in het ontwerp moest
zitten want ik had al zo’n donkerbruin vermoeden dat een onderhoudsvrije tuin
een illusie is. Afijn,
er kwam een plan en een offerte en we zeiden ‘Ja’. Dus nu heeft de groene hel plaats gemaakt
voor een echte siertuin. Onder architectuur aangelegd. Echtgenote en ik
beloofden elkaar plechtig dat we moeder natuur ernstig aan banden zouden leggen
en tot nog toe lukt ons dat aardig.
Dan lopen we even naar de achtertuin. Of achterplein, wat je
wil. Daar had ik jaren geleden al eens twee vakken van 25 vierkante meter
klinkers uit gehaald, het gele zand afgegraven en een vrachtwagen zwart zand
laten aanrukken. Maar ook van die twee vakken maakte moeder natuur een
gruwelijke puinzooi. Moeder natuur is helemaal niet zo aardig als iedereen wel
zegt. In het linker deel plantte ik twee berken. Opslag uit andere delen van
ons perceel. Die opslag is nu uitgegroeid tot twee serieuze bomen. Ik heb er
zelfs al eens wat takken afgezaagd want het werd een heel bosperceel. Verder
groeit daar niet veel want die bomen slurpen al het water op. Na de droge zomer
van vorig jaar is het een soort woestijn geworden met twee berken er op. Daar
heeft moeder natuur dan weer niet van terug, van droogte. Op het andere vlak
deden wij ons best om er iets van te maken maar het bleef aanmodderen.
Echtgenote had wel eens iets gezegd over ‘een kasje of zoiets, tomaatjes en zo’. Op internet zocht ik een
bouwplan want zo’n ding kopen was me te duur. Was leuk om te doen. Ik had een
paar flinke stukken Trespa platen liggen. Van een reclamebord boven een winkel.
Na jaren van bewaren zei de eigenaar: “doe er maar wat mee”. Daar maakte ik
grote bakken van zodat we niet op onze knieƫn door de kas hoefden te kruipen. Zaaibedden
op 70 cm hoogte. Het is warm en vochtig in de kas en dat was precies de bedoeling. Ik kocht een tomatenplant en een paprikaplant. De tomaat mocht niet in de zaaibak want die is familie van de aardappel en als
je dan volgend jaar daar weer een tomaat plant dan krijg je enge ziektes. Stengelrot, groentepest, wortelsnot en vruchtmaleur. Ik
begreep er maar weinig van. Gelukkig mocht ik de tomaat wel in een grote pot
planten en die in het zaaibed ingraven. Als ik dan het zand uit die pot in het
najaar weggooi gaat het goed. Goede raad was gratis dit keer dus dan ben je wel gek als je het advies
niet opvolgt.
De overige 14 vierkante meter was echter nog steeds een
puinhoop. Met name omdat we niet wisten wat plant was en wat onkruid. Af en toe spitte ik de hele bups om en dan was het afwachten wat er weer op kwam.
Soms kregen we ergens een stek van iets en dat kwam er ook in. Maar het jaar
daarop wisten we niet meer wat de stek was of het kwam boven op plekken waar we
het niet gepoot hadden. Magisch. Toen opperde ik om het stuk direct naast de
kas rigoureus van alle groene rotzooi te ontdoen en er aardappels in te poten.
Dan weet je in ieder geval zeker dat alles wat geen aardappel is er uit moet en
dan houden we na het aardappelseizoen een stuk grond over waar we wat mee
kunnen. Een vriend, die van die Trespa platen, is ook een echte groenteman en
die stopt elk jaar van alles in de grond en dan kom je na een paar weken kijken
en dan zijn staat er een paradijstuin te pronken waar Adam en Eva jaloers op
zouden zijn geweest. En je kunt alles op eten, ook de appels.
Dat wil ik nu dus ook. Dus ik toog eergisteren naar de
plaatselijke kweker en vroeg om poters. Die waren al twee weken op. Heb ik weer
dacht ik. Maar hij zei dat er in de Mussel nog wel wat te krijgen was. Daar
koop ik ook altijd mijn kalk en kunstmest voor op het gras. En nu dus ook pootaardappelen. Ik wordt nog eens een echte
boer. Men verwees me naar een aparte afdeling in de loods en daar stonden zoveel aardappels dat heel Polen er een
jaar van kan eten. Ik heb me nooit gerealiseerd dat er zoveel soorten aardappels zijn. Zou je het verschil kunnen proeven? Vast wel. Ik vroeg aan een voorbijvliegende heftruck welke ik moest
hebben. Wil je vroege of late vroeg hij. Doe maar iets er tussen in meende
ik, wist ik veel. Als ze maar zorgen dat de bodem met groen bedekt wordt. Maar aardappels zijn tevens om op te eten dus ze moesten ook lekker zijn. Er stond nog een flinke stapel
Lekkerlanders. Die zijn kennelijk wat incourant want er waren er nog een
heleboel van. Maar als je Lekkerlander
heet dan zal je wel om op te vreten zijn vermoedde ik dus die nam ik. Vier
rijtjes van zeven poters pasten precies op mijn aangeharkte kavel naast de kas
leerde ik van het internet. Dus ik kocht er dertig. En geloof het of niet, ik
hield er twee over. Die laatste twee liggen nu naast het rijtje stokrozen te
wachten op de dingen die komen gaan. Stokpoters noem ik ze liefkozend.