vrijdag 13 januari 2017

Wapitigebied

In het bos achter ons huis woonden vroeger indianen en cowboys. Dat wisten wij heel zeker want als wij daar in het bos rondstruinden dan voelden wij hun aanwezigheid. Maar we kregen ze nooit te zien. We hadden een naam bedacht voor het stuk bos. Het Wapitigebied. Een vriendje had eens in een boek gezien dat er in Amerika beesten rondliepen die zo heetten. En Amerika was het land van de cowboys en indianen.

Ik neem aan dat de indianen in ons Wapitigebied de wapiti’s opaten. Ik heb tenminste nooit Winnetou-achtige types in Idema’s Supermarkt zien lopen. Veel later kon je wel echte indianen zien op markten en braderie├źn. Die bliezen op een panfluit en verkochten cd’s met panfluitmuziek en veelkleurige gebreide truien. Zulke indianen heb ik in ons bos nooit gezien. Bij ons droegen ze verentooien en speren en zakmessen. En pijl en boog. Pijlen en bogen maakten wij voor ze van uitlopers en takken van de Hazelaar. De indianen woonden in hutten. Die moesten door ons worden gebouwd. Het was gebruikelijk deze uit te graven. Een hut in de grond met takken er over was veilig want cowboys en ander tuig konden je dan nooit vinden. Wij hadden daarvoor spades en bijlen en zagen ter beschikking die we leenden uit vaders schuurtje. Dat vroegen we nooit van te voren want als je het vroeg mocht het toch niet. Na een woensdagmiddag wroeten in het bos zagen we er uit als beesten en als onze moeders vertwijfeld vroegen wat we in Godsnaam hadden uitgespookt dan zeiden we dat we gewoon bij een vriendje achter in de tuin hadden gespeeld. Of onze moeders dat van ons aannamen weet ik niet. Als vader op zaterdag de schep nodig had hielpen wij dapper mee zoeken in het schuurtje. Uiteindelijk ging papa hopeloos gefrustreerd naar binnen. Dat wisten wij precies. We renden snel het bos in en kwamen opgetogen terug met de schep in de hand. Die hadden wij dan zogenaamd achter in de tuin gevonden. Op zondagmiddag gingen we eventjes snel stiekem met ons goeie goed aan naar Wapiti om de bijl en de zaag op te halen. Gewoon voor de zekerheid want je kon niet weten of papa die ook nog eens wilde gebruiken. Nooit ben ik een wapiti-indiaan tegen gekomen die weigerde het gereedschap terug te geven.

Het enige taboe was vuur. Vuurtje stoken mochten wij wel in de tuin. In de kelder  vonden wij een oude stoel. Half verrot, half doorgezakt en half opgevreten door houtworm. Van ma mochten wij die wel in het vuur gooien. Maanden later wilde pa weten waar die zeldzame antieke stoel gebleven was. Dat wisten wij niet. Maar vuur in het bos was uit den boze. Op een goede dag waren wij druk in de weer in het Wapitigebied. We beseften dat het onmogelijk was om wapiti’s rauw op te eten. Dus als grote uitzondering besloten we een heel klein vuurtje te maken. Gewoon wat droge blaadjes en wat takjes. Niet te groot want vuur in het bos was immers bijzonder gevaarlijk. Na enige tijd werd het dan toch weer een heel vuur en moesten we gezamenlijk trappen en stampen en zand gooien om het uit te krijgen. Thuisgekomen vroegen onze mama’s streng of we soms fikkie hadden gestookt in het bos. Dat ontkenden wij in alle toonaarden. Maar onze mama’s konden aan onze neuzen zien wat er gebeurd was ook al zeiden we niks. Ik heb de neuzen van onze kinderen regelmatig aandachtig bestudeerd maar nooit een aanwijzing gevonden voor ondeugd. Ik ga er derhalve van uit dat moeders gaven hebben die vaders moeten ontberen.

Ach, wat leden wij een vreedzaam leven in ons prachtige Wapitigebied. Dat kon zo niet doorgaan want vreedzaam samenleven wordt op den duur strontvervelend. Er moest bij tijd en wijle een oorlog worden uitgevochten. Als er voldoende manschappen waren gerekruteerd uit straatgenootjes en schoolvriendjes werden we verdeeld in gelijke groepen indianen en cowboys.  Bleken de pijlen en speren van de indianen niet opgewassen tegen de vuurkracht van de cowboys dan hadden de indianen plotseling vuurbuksen gekregen van valse bleekgezichten die met dubbele tong spraken. Als de cowboys in een hinderlaag liepen en het onderspit dreigden te delven dan vonden ze nog net op tijd een pilletje waardoor ze weer beter werden en terug konden schieten. Zo werd het evenwicht weer hersteld. Veel later bleken spreken met dubbele tong en pilletjes om weer beter te worden een terugkerend fenomeen te zijn in onze adolescente periode.

Op het laatst, vlak voordat we te oud werden om het Wapitigebied in stand te houden brak er een guerrillaoorlog uit. Het was de bedoeling dat de indianen zich verstopten in het bos en dat de cowboys door het gebied trokken om gewapende cellen terreurwapiti’s op te sporen en uit te schakelen. Op enig moment waren wij het zoeken naar indianen moe en moest er kwartier worden gemaakt. Nu moet ik er even bijzeggen dat wij elkaar namen gaven als Hank and Pete en dergelijke want cowboys heten nou eenmaal geen Jaap en Albert. Dus Hank roerde met zijn rechter hand boven zijn linker hand en beeldde aldus symbolisch het bereiden van een eenvoudige doch voedzame maaltijd uit. Op het moment dat hij aan Pete vroeg of die soms ook wat ‘beans’ wilde hebben barstte er in het struikgewas achter hen een ontzettend tumult los. Hank and Pete sprongen wel een meter in de lucht. Echter waren het niet indianen die het vuur openden maar Witte Veder en Eenzame Wolf die bulderend van het lachen uit dekking braken. Het argeloze kampementtafereel van Hank and Pete die zich onbespied waanden had teveel van hun inlevingsvermogen gevergd. De wapitiperiode was voorbij. Wij verlieten het Wapitigebied wat vanaf toen weer gewoon het bos achter ons huis was.

Ik heb net even op internet gekeken hoe Wapiti’s er eigenlijk uitzien.

zaterdag 7 januari 2017

Te duur

Lang, lang geleden, toen ik van de markt af ging en de verkoopwagen verkocht had, bleef ik zitten met mijn minivrachtwagentje. Zo’n chassis met een meubelbak erop met een laadklep er aan waar je nog net met een gewoon rijbewijs in mocht rijden. LT35, 2,8 liter 4 cilinder MAN diesel, turbo, 5 versnellingen. Beul van een ding. Gewoon in zijn 2 met stationair draaiende motor de koppeling laten opkomen en het hele gevaarte ging met verkoopwagen en al aan de rol. Wilde je wat harder dan zette je hem in 3 en gaf je, voorzichtig, wat gas bij. Mooi speelgoed. 

Mooi speelgoed doet een man niet graag van de hand en omdat mijn nieuwe plannen nog even wat meer tijd nodig hadden verhuurde ik mezelf als koerier. Een bedrijfje in Groningen verzorgde de bezorgingen voor een aantal Gamma’s en Intratuins in de provincie en voor hen voerde ik die uit. De mooiste rit was de bezorging van een gordijnrail van 1,80 meter. Van Stadskanaal naar Sellingen. De man was met openbaar vervoer naar de Gamma gereisd, kocht de rail voor 9,95 en betaalde grif 25 euro bezorgkosten omdat hij geen zin had het ding in de bus mee terug te nemen. Memorabel was ook de bezorging van een complete duiventil naar een adres in Assen. De dame die open deed had het oudste beroep van de wereld. Helaas gebruikte ze haar verdiensten hoofdzakelijk voor de aanschaf van middelen die een vernietigende uitwerking hadden op haar schoonheid. Bruinzwarte stompjes in een kleurloze glimlach. Fletse ogen in een asgrauw pokdalig gezicht. De duiventil moest achter in de tuin maar paste onmogelijk door de voordeur zodat ik omreed door het plantsoen naar de tuinen achter het woonblok. Als blijk van waardering deed ze me het volgende aanbod: “Zal ik bij jou eens doen wat je vrouw ook met je doet……?” Ik zei toen dat ik dan liever had dat ze iets deed wat mijn vrouw niet met me doet. Dat vatte ze erg serieus op zodat ik moest praten als Brugman om onder het voorstel uit te komen.

Terug naar de bouwmarkt. Personeel van bouwmarkten zijn stuk voor stuk erg aardig, voorkomend, behulpzaam en beleefd. Dan is dat maar vast even gezegd. Maar helaas gaat het op inhoudelijk gebied wel eens mis. Zo had ik de bak eens afgeladen vol met hout. Multiplex platen van 18mm en vloerplanken van 22mm. Het arme ding zakte zowat door zijn wielen. Stapvoets sukkelde ik ermee naar Hoogezand. Daar stond in een nieuwe wijk een pas opgeleverde koopwoning met een afwerkvloer waar de vloerbedekking zo op kon. De eigenaar, een niet zo heel technische jonge man, was echter van plan een houten vloer te leggen. Bij de Gamma had men hem bezworen dat de planken op een ondergrond van 18mm multiplex moesten worden gelijmd. De ondervloer moest met stalen spijkers om de 50 cm op de bestaande vloer worden gespijkerd. Ik vroeg hem of hij serieus van plan was honderden stalen spijkers in een hagelnieuwe afwerkvloer te slaan. Nou ja, dat had men hem bij de Gamma verteld en die zouden het toch wel weten. Nog los van alle kapot geslagen leidingen en een vernielde afwerkvloer zouden van alle gloednieuwe deuren 4 cm moeten worden afgezaagd. Ook van de voordeur waarvan dan ook de dorpel moest worden verhoogd. De goede man keek me met grote ogen aan en trok wit weg. Hoe dat is afgelopen weet ik niet maar ik ben er nog steeds nieuwsgierig naar.

Voor mezelf ga ik wel eens naar een bouwmarkt in een naburig dorp. Gewoon omdat ik de eigenaren ken. Die kwamen vroeger vaak op zaterdagmorgen aan de kraam, puddingbroodjes en zo, en dan ouwehoerden we er flink op los. Gisteren was ik er weer. Knutselspulletjes kopen voor de treintjes. Er was een nieuw meisje in de winkel. Het arme kind, nog in de proeftijd, deed vreselijk haar best maar kon niet tegen ons verbale geweld op. Toen de eigenaar vroeg waarom ik dan niet op de vacature had gesolliciteerd verschoot ze van kleur. “Ach, jij kan mij niet eens betalen…..”, schold ik. “Nee, je was op de markt al veel te duur…..”, foeterde de winkelier terug.