dinsdag 22 januari 2013

Bob

Op zich is het niet eens erg om een keer niet te drinken op een avond uit. Het eerste deel van de avond is er nog veel geestelijke ruimte om te komen tot inhoudelijk relevante conversatie en het verschaft je de mogelijkheid om de diersoort mens weer eens aan een bestudering van het gedrag te onderwerpen. Gaandeweg zie je echter dat de spanningsboog van je wel-drinkende gesprekspartners verslapt en in omvang afneemt. Gelukkig heeft de band dan het maximale enthousiasmeniveau bereikt en is er zoveel te beleven en te kijken dat het gemis van alcohol niet eens opvalt. Het enige wat ik zou wensen is dat er ook andere alcoholvrije dranken worden verkocht als alleen cola en sinas. Ik begrijp dat die twee woorden het makkelijkst door de barmeisjes worden herkend, boven het lawaai uit, maar met wat extra instructie moet er toch nog wel wat mogelijk zijn lijkt me. Beetje jammer.

Later op de avond wordt het lastiger. De band kan een nuchter mens dan al niet meer aan zich binden maar het publiek vindt het in toenemende mate prachtig. Uitzinnig springen en schreeuwen ze door elkaar. Halzen worden omhelst, schouders worden beklopt en hier en daar worden, als men zich enigszins onbespied waant, ook overige lichaamsdelen aan een doortastend onderzoek onderworpen. Toch ziet men telkens weer kans om op het juiste moment de muzikanten toe te schreeuwen, gestuurd door een innerlijke klok welke aangeeft dat een nummer is afgelopen. Werkelijk wonderbaarlijk wordt het als mensen zich na lang aarzelen op de dansvloer begeven. Volwassenen, ouders, grootouders zelfs, beginnen aan rituele baltsen alsof men weer aan de leg komt. Onschuldige omstanders worden meegetrokken op de dansvloer om ook al hun loshangende lichaamsdelen tegelijkertijd in beweging te brengen. Het is een potsierlijk en grotesk gezicht.

Niet dat ik het afwijs hoor, oh neen, het is ieders goed recht en ik gun iedereen zijn of haar liefhebberijen. Totdat ik wordt ontdekt als niet-danser. Vanaf dat moment maakt een vreemd roedelgedrag zich meester van de hossende meute. Alsof ik een verloren schaap ben wordt ik van alle kanten besprongen en met vereende krachten wordt ik meegesleurd naar het episch centrum en kan ik alleen in de groep overleven als ook ik alle ledematen in het rond slinger. Op zulke momenten zou ik wensen dat ik een houten poot had. Een diepe afkeer maakt zich van mij meester, ruw ruk ik me los en ik betrap mezelf er op dat ik zelfs boos wordt. Ik wil naar huis. Freudiaans bijna.

Op avonden waarop ik wel drink is de inhoudelijke relevantie van mijn verhalen doorgaans na een paar uur zoek, in ieder geval bij degenen die dan in mijn plaats niet drinken. Overige mededrinkers knikken gewoonlijk bemoedigend ‘ja’ en ik kan als ik gedronken heb nooit iemand betrappen op ondiep gelul. En de muziek moet wel heel beroerd zijn wil ik de muzikanten niet enthousiast op het juiste moment toejuichen. Oude bekenden worden door mij uitbundig begroet inclusief het bekloppen en betasten. Maar een ding blijft als een paal boven water, hoe bezopen ik ook ben, ik ga niet dansen.