zondag 15 april 2012

Vaticaan: ‘Excuses Provincie Friesland op zijn plaats’

Volgens ingewijden in het Vaticaan vind De Heilige Stoel dat het provinciebestuur van Friesland er goed aan zou doen om officiële excuses aan te bieden voor de moord op Bonifatius op 5 juni 754, nu ruim 1250 jaar geleden.
In een communiqué van het V.I.S. (Vatican Information Service) wordt gemeld dat de kwestie nog steeds leeft bij de kerkelijk leiders. “De wonden zijn nog niet geheeld” zou een naaste medewerker van de paus hebben gezegd, “Het doet pijn steeds weer te worden geconfronteerd met uitingen in Friesland als zou Bonifatius door een stel gewone struikrovers zijn vermoord. Iedereen weet dat de moord een politieke lading had.” Volgens Vaticaanse geschiedkundigen is de moord gepleegd door voorvaderen van de bekende Friese volksheld Grutte Pier, die rond 1500 leefde. Dank zij de moord zou de familie van Grutte Pier (Pier Gerlofs Donia) aan de macht zijn gekomen. Deze familie zou in die jaren een eigen Friese Godsdienst (Fryske Göttsdianst) hebben willen vestigen.
De Fryske Nasjonale Partij wijst elke betrokkenheid van de hand: “Onze voorvaderen handelden vanuit het vrijheidsideaal. Bonifatius kwam met een gewapende macht als onderdrukker. In de gevechten die toen ontstonden is Bonifatius gesneuveld. Er is dus geen sprake van moord, hooguit van doodslag”, aldus een zegsman.
De familie Gerlofs-Donia, rechtstreekse afstammelingen van Grutte Pier, is geschokt. “Grootvader was een volksheld. Het is verschrikkelijk om op deze manier in verband te worden gebracht met een misdrijf uit 754, ruim 750 jaar voor de geboorte van Pier. We laten het er niet bij zitten”.
Geruchten uit het Vaticaan dat deze berichtgeving zou zijn ingegeven door uitspraken van de paus dat hij Bonifatius persoonlijk zou hebben gekend konden niet worden bevestigd. Het V.I.S. gaat niet in op persoonlijke kwesties omtrent de paus.

zondag 8 april 2012

Bodyworld

Roelinde Havinga is 51 als ze met vage klachten bij de huisarts komt. Ze voelt zich de laatste tijd moe en verliest gewicht. De huisarts besluit haar door te sturen naar een internist voor verder onderzoek. Na twee weken komt de definitieve diagnose. Roelinde is ongeneeslijk ziek en heeft nog ongeveer twee maanden te leven. De behandeling die volgt is gericht op zo lang mogelijke functionaliteit en kwaliteit van leven. Drie maanden na haar eerste bezoek aan de huisarts overlijdt Roelinde.

Roelinde wordt geboren op 14 oktober 1955 in Heidelberg, Duitsland. Haar vader is Dr. Egbert Havinga die naar Duitsland is geëmigreerd toen hij trouwde met Roelinde’s moeder Gertrude von Baiern. Dr. E. Havinga is verbonden als gynaecoloog aan het Heidelberger St. Josefskrankenhaus. De familie Havinga is Rooms Katholiek. Het gezin gaat trouw naar de kerk en zowel vader en moeder zijn actief in de Ökumenische Nachbarschaftshilfe van de Sint Bonifatiusparochie. Vanzelfsprekend gaat Roelinde naar een katholieke school. Ze groeit op als een voorbeeldig en braaf meisje. Op school is ze geen hoogvlieger. Na tussenkomst van haar vader kan ze beginnen als leerling verpleegster in een verpleeghuis verbonden aan een nonnenklooster. Ze wordt opgeleid en begeleid door de nonnen en komt in de weekeinden thuis. Ze gaat niet uit. Een enkele keer naar een concert met haar ouders en natuurlijk elk jaar rond Pasen de Mattheus Passion. De wilde zestiger en zeventiger jaren gaan aan Roelinde grotendeels voorbij. In 1976 besluit ze na het overlijden van de moeder overste haar lichaam na haar dood af te staan aan de wetenschap. Als Roelinde 48 jaar is overlijden haar ouders na een auto-ongeluk. In hetzelfde jaar moet het verpleeghuis waar ze nog steeds werkt fuseren met een grote openbare zorginstelling. Roelinde raakt door de gebeurtenissen in een depressie en verliest haar baan. Uiteindelijk kan ze terecht in een beschermt wonen project te Heidelberg. Daar maakt ze kennis met de moderne wereld via televisie en internet. Ze zondert zich veel af in haar appartement. In 2006 wordt ze ziek. In de maand voor haar overlijden besluit ze dat haar lichaam moet worden gedoneerd aan Dr. Gunther von Hagens van Bodyworld, na het zien van een reportage op televisie over Dr. Von Hagens’ werk.

In het laboratorium van Bodyworld is men bezig met plannen voor het uitbeelden van een 16+ kamer. Het is de bedoeling dat twee lichamen worden geprepareerd die een coitus moeten uitbeelden. Het lichaam van een man is wel beschikbaar, maar een geschikt vrouwenlichaam ontbreekt. Dan wordt het lichaam van de vereenzaamde maagd Roelinde binnengebracht.

Op goede vrijdag 2012 staan wij in Amsterdam Zuid oog in oog met Roelinde Havinga. Ze is natuurlijk onherkenbaar en anoniem. De figuur Roelinde Havinga is geheel door mij verzonnen. Iedere overeenkomst met bestaande personen berust op toeval. Maar de vrouw die daar zo treffend wordt gepenetreerd is een levende mens geweest van vlees en bloed, met al haar gedachten en herinneringen, en zou zomaar Roelinde Havinga geweest kunnen zijn.

zondag 1 april 2012

Gerard en Liesbeth

“Gerard hoort heel slecht”, spreekt de vrouw des huizes. En dat zal ze ook blijven doen, dat spreken bedoel ik. Als ik het woord tot Gerard richt geeft mevrouw antwoord, al heb ik de indruk dat Gerard meer verstaat dan mevrouw bereid is toe te geven. Ik weet niet hoe mevrouw heet, maar in dit huishouden kan ze eigenlijk alleen maar Liesbeth heten, of Carolien wellicht, maar ik kies voor Liesbeth. Er zijn ook typische Graddus en Sientje huishoudens waar het een gezellige rommelpot is maar hier heeft alles zijn plaats en zijn tijd volgens een vast patroon. Liesbeth dus.
“Wij zijn met de vut”, doceert Liesbeth. Gerard heeft zich altijd ‘kapot gewerkt voor de baas’, waarna ze hem op 58 jarige leeftijd ‘hebben moeten laten gaan’. Gerard heeft er nog wel een goede regeling uitgesleept. Bij de belastingdienst. Verder is er op de werkgever niets aan te merken. Er werd ‘altijd prompt betaald’. Nou, dat scheelt dan maar weer. Liesbeth had de zorg voor het huishouden en de kinderen, die allemaal goed terecht gekomen zijn, dat spreekt voor zich. Tóch zijn ze sámen in de vut. Liesbeth draagt nog steeds de zorg voor het huishouden maar wordt nu geassisteerd door Gerard.
Terwijl Liesbeth converserend om me heen drentelt doet Gerard zijn vaste taakjes. Vaste taakjes of niet, het weerhoud Liesbeth er niet van om tussendoor aanwijzingen te geven. “De Engelse kopjes staan links, Gerard”, “De krant van gisteren kan nu in de schuur, Gerard”. Ik kan niet zeggen dat Gerard het slaafs ondergaat, het is meer een soort berusting, alsof hij weet dat er een beperkt aantal taakjes voor hem zijn, waarna ze hem verder ‘zijn rust gunt’, omdat Gerard zich immers altijd kapot heeft gewerkt bij de belastingdienst. Toch wel weer lief van Liesbeth.
Als ik in de lach schiet bij de gedachte hoe Gerard in de echtelijke sponde op commando, als de tijd er weer voor is, zijn taakjes verricht, kijkt Liesbeth me verongelijkt aan. Overduidelijk was dat de verkeerde reactie op hetgeen ze me vertelde maar waar ik niet naar heb geluisterd. Om de zaak te redden moet ik me beleefd verontschuldigen. “Binnenpretje”, luidt mijn verklaring. Liesbeth lacht gelukkig met me mee. Ik hoop maar dat ze geen gedachten kan lezen.
Uiteindelijk is het moment aangebroken waarop Liesbeth me moet laten gaan. Zonder goede regeling helaas, al kreeg ik wel een kopje koffie. In een Engels kopje. Ik behoefde geen klontje en geen wolkje, dank u beleefd. Voor de handtekening schuif ik Liesbeth de werkbon en de pen toe. Resoluut schuift ze beide door naar Gerard. “Gerard is hier de man in huis!”, stelt Liesbeth. En zo is’t maar net.

vrijdag 9 maart 2012

Hendrik

Hendrik heeft het mooi voor elkaar. Hendrik is 68 jaar en woont alleen in een nette buurt. Hij heeft een goed pensioen waar hij hard voor heeft gewerkt, al zegt hij het zelf. Hij is gescheiden maar ziet zijn ex en dochter nog regelmatig en het contact is goed. Verder heeft hij een vriendin die af en toe komt logeren en er komt een iemand voor het huishouden, twee keer in de week. Hendrik is gezond al is hij wat aan de zware kant, zo geeft hij wel toe. Dat is nog voorzichtig uitgedrukt. Zijn buik steekt zo ver naar voren dat er een hele schoolklas onder kan schuilen. Maar alles doet het nog en daar is Hendrik trots op. Als zijn vriendin er is komt er van slapen niet veel, volgens Hendrik. Zij lust er wel pap van en hij heeft pap genoeg. Ook de huishoudster is inmiddels zo vertrouwd dat zij hem tegen een extra vergoeding af en toe een hand- of lippendienst verleent. Verder bezoekt Hendrik regelmatig enkele clubs waar hij alleen zwarte vrouwen kiest, want die zijn het lekkerst vind Hendrik.

Bij het tweede kopje koffie blijkt de euforie al enigszins getemperd. Zo ziet hij zijn dochter nauwelijks en zijn ex alleen bij de rechtbank. De vriendin is een dame wiens vriendschap afhangt van het beschikbare budget. De huishoudster blijkt een broeder te zijn van een zorginstelling die komt om zijn kwalen te verzorgen en af en toe komt er een in prikkeldraad gewikkelde ijsklomp die de boel aan kant maakt. De clubs waar hij de zwarte vrouwen afwerkt blijkt een stille knip te zijn in de buurt waar Hendrik tegen betaling van tien euro zoveel mag drinken als hij op kan, samen met andere eenzame mannen die elkaar vrienden noemen. Hendrik leeft van zijn AOW. Een pensioen heeft hij niet en het werken bestond naast los en vast vuil werk uit het handelen in gestolen goederen en het kweken van geestverruimende planten. Een deel van zijn werkzame leven bracht Hendrik door in verzekerde bewaring. Voor kost en inwoning was gezorgd maar pensioen werd er niet opgebouwd. Hendrik ’s leven is niet zo verlopen als hij zelf graag gezien had. Hij heeft nu, op zijn 68e, spijt maar is zich er van bewust dat hij het zelf verprutst heeft en verwacht van de buitenwereld geen begrip.

In de deuropening achter me staat een oude, zieke, eenzame en depressieve man. Hij is blij met iedereen die hem even wil aanhoren. Het ophouden van de schone schijn is hem ook ditmaal niet gelukt. Ik wens Hendrik het beste.

woensdag 29 februari 2012

Klaas Hendrikse: “God bestaat niet en Jezus is zijn zoon”

Ik heb met Klaas Hendrikse een haat/liefde verhouding. Zonder dat Klaas het weet overigens. Ik vond zijn vorige boek “Geloven in een God die niet bestaat” nog wat vaag. Klaas worstelde toen nog erg met het woord atheïst en het leek wel of hij zich er wat voor schaamde. En bij vlagen kwam er een vleugje predikant tevoorschijn die zijn kudde maar het liefst weer de kerk in praatte door het woord kerk te vervangen door eetcafé.
In zijn jongste boek is Klaas volledig uit de kast. Wat gebleven is, is het irritante gebruik van jij en jouw als hij het over de lezer heeft. Het blijft toch een dominee. Wat ik dan wel weer grappig vind is dat het Nederlands Dagblad als commentaar inhoudelijk niet thuis geeft maar slechts valt over deze ‘onbeleefdheid’. Dat bewijst het gelijk van Hendrikse maar dat zullen ze in reformatorische kringen wel nooit begrijpen……

Hendrikse neemt ons mee op reis vanaf Adam naar Jezus, en verder. Op heldere wijze schets hij het proces van mythologie naar waargebeurd verhaal en hoe de bijbelschrijvers en ontwikkelaars van het christendom zich keer op keer verslikten in de metaforen uit de mythologie en krampachtig probeerden er een ‘geloofwaardig’ verhaal van te maken. En wij, stomme sukkels, geloven het dan vervolgens ook nog. En dat terwijl het christendom slechts een wereldgodsdienst kon worden omdat een Romeinse keizer ooit de inmiddels vergoddelijkte jood Jezus koos als persoonlijke god i.p.v. Osiris of, mijn persoonlijke voorkeur, Bacchus. Whow! , het Bacchusdom, stel je voor….

Laatst sprak ik iemand die zich niet kon voorstellen dat er veel atheïsten zijn. Een andere wist me te vertellen dat echte atheïsten gevaarlijk zijn en gewelddadig! Ze zouden je zomaar kunnen aanvliegen als ze er achter kwamen dat je geloofd! Weer een ander geloofde weliswaar niet in god maar vond zich zelf toch zeker geen atheïst….. Om moe van te worden. Woordenboeken en Wikipedia-pagina’s staan vol met definities en verklaringen van het woord atheïst, maar nee, stug blijven volharden in je voorgezegde vooroordeel. Deze mensen zouden bij uitstek de boekjes van Hendrikse eens moeten lezen maar dat zullen ze nooit doen. Er is ze 2000 jaar geleerd te volgen, niet zelf na te denken, geen andere boeken te lezen als de bijbel en vooral niks te vragen maar trouw en lijdzaam accepteren wat de herder je toe lispelt vanaf de kansel of het altaar. Zonde, maar wat doe je er aan?

woensdag 22 februari 2012

47 Jaar carnaval op Ter Apel

Zij staat alleen. Een rustig plekje aan het eind van de route. Geen hossende menigte om haar heen. Zwaar leunend op de bordeauxrode rollator. Grijze haardos pas gekapt. Nieuwe winterjas. Een nette verschijning. Abraham is al minimaal 25 jaar geleden langs geweest, meer nog denk ik. Ze ziet me aankomen en snapt de bedoeling. Een Kloosterwieker die met een emmertje rammelt, een tijdloos en niet mis te verstaan gebaar. Ze voelt in elke jaszak en ook de handtas wordt doorzocht. Ah, daar is ’ie, de portemonnee komt te voorschijn. Haar motoriek laat haar in de steek, zenuwachtig worden maakt het nog lastiger. “Knovvelige handen….…”. Ik maan tot kalmte, ik heb tijd genoeg.
“Helemaal alleen op pad mevrouw?”, begin ik.
“Ja, dat krijg je als je ouder wordt….”, verzucht ze.
“Vind u de optocht mooi mevrouw?”
“Oh, ik kan hier zo van genieten, ik vind het zo prachtig……”. Ze rommelt in haar portemonnee.
“Bent u hier voor het eerst van ’t jaar?” Ik voel dat er een verhaal achter zit. Het moet alleen nog los gepeuterd worden.
“Och god nee, ik heb altijd op Ter Apel gewoond. Ik woon nu hier achter.” Een vaag handgebaar duidt een plek ergens over haar schouder aan. “Wij deden vroeger ook altijd mee, toen mijn man er nog was, van ’t begin af aan. Wij gingen altijd met de hele straat, zo gezellig altijd, zelf pakken maken en zo…….”. Ze zwijgt, haar ogen zijn vochtig, starend in de leegte tussen twee praalwagens.
“De laatste jaren niet meer, mevrouw?”, probeer ik haar weer op gang te helpen.
“Nee, dat is al jaren over, mensen gaan verhuizen, sommigen zijn al overleden…..mijn man ook…… zo’n groepje valt dan uit elkaar hè……met nieuwe buren is het dan toch anders…..en nu woon ik ook al weer jaren in deze flat….maar ik ga nog elk jaar kijken, als ik goed ben.… we worden allemaal een dagje ouder…. Maar eerder? Och mien jong, elk jaar deden we mee, zo mooi altijd….”
Haar bijdrage zit al in mijn emmertje. “Hartelijk bedankt, hoor……”
“Och man, ‘t is graag gedaan, zo prachtig altijd……”
Ik val stil, en dat overkomt me niet gauw. Dik 40 jaar geleden, ik een schoolkind, zij eind 20 schat ik. Ik denk aan hoe ik carnaval vierde toen ik eind 20 was. Ik denk aan hoe ik nu carnaval vier. Abraham is bij mij ook al langs geweest.

Ik zie mezelf staan aan de overkant, ingehaald door de tijd. Kale kop, dikke pens, oude jas, zwaar leunend op mijn rollator. Mijn uiterlijk heeft me nooit zo geïnteresseerd. In de verte komt hij aan, de twintiger van nu, dan inmiddels ook bevorderd tot 5e Rad en emmertjesactie. Zelfde jacquet, zelfde steek, zelfde medailles. Nothing’s changed, really……. Hij rammelt met zijn emmertje, een tijdloos en niet mis te verstaan gebaar. Zou hij weten wie ik ooit was? “Staat u hier al lang meneer?”, vraagt hij. “Och mien jong, most ains waiten….”, prevel ik hem toe.

Zachtjes raakt ze mijn arm aan. Ik schrik op. Haar ogen staan zacht, een flauwe glimlach speelt om haar mond. “Most nait wieder, mien jong?”, vraagt ze zacht.
“Joe hebben geliek mevrouw, ik mot wieder. Tot kiekes he.” De optocht 2012 is voorbij.

zaterdag 4 februari 2012

Het Vlaggenprotocol, ironie of regeldrift?

Carnaval is het feest van verbroedering, van gelijkheid achter onze maskers. Even los uit het keurslijf, even uit de ban springen. In Ter Apel hebben we een carnavalsvereniging: De Kloosterwiekers. Ik mag daar langs de zijlijn deel van uitmaken. We hebben heuse Ridders en Freules met een jaarlijkse medailleregen voor op onze indrukwekkende uniformen. We hebben een Prins en een Vorst die samen met de Raad van Elf de macht over de gemeente voor een paar dagen overnemen van het gemeentebestuur. Deze hele poppenkast is in feite een parodie op de samenleving waarin we het dagelijks leven leren relativeren.

Deze lessen worden helaas niet door iedereen begrepen. Zo zijn we van overheidswege belast met regels en voorschriften waaraan de bonte carnavalsstoet moet voldoen op het gebied van alcoholgebruik, veiligheid van de praalwagens, wildplassen, geluidsproductiecontroleurs, hulpdiensten, vluchtwegen, verkeersregelaars, stoetbegeleiding en wat al niet meer. Als ik in een goedmoedige bui ben dan zeg ik dat deze regels nodig zijn omdat wegens het wegvallen van wederzijds respect en normen en waarden als gevolg van de individualisering van de samenleving, sociale controle en inzicht in ons eigen gedrag verdwenen zijn. We letten niet meer op ons zelf en op elkaar dus moet de overheid het wel doen. Als ik daarentegen in een kwaadaardige bui ben dan zeg ik dat het komt omdat wegens het ontbreken van enige werkdruk op onze gemeentehuizen, provinciehuizen en departementen de mensen die daar hun dagbesteding hebben uit pure verveling deze regels, gekleurd door hun fantasieloze burgerlijke zwartgalligheid, bedenken. Maar gelukkig kan ik doorgaans goed relativeren.

En de Kloosterwieker, hij ploegde voort, probeert er ondanks de ambtelijke tsunami van regelgeving er het beste van te maken, er op vertrouwend dat de feestvierders begrip hebben voor het lastig pakket waarin men zich bevind. Toch bekruipt me een vaag gevoel van onbehagen, dan denk ik dat er bij de Kloosterwiekers meer aan de hand is dan moeizaam voortploegen. Zo kreeg ik onlangs een mail betreffende het ‘vlaggenprotocol’. Daarin wordt geregeld wanneer de Kloosterwiekervlag aan de gevel mag wapperen. In mijn onschuld denk ik dat het bestaan van het vlaggenprotocol op zichzelf ironisch bedoeld is, met carnaval steken we immers de draak met de geregelde werkelijkheid en in dat licht past dan ook een vlaggenprotocol. Maar ik twijfel, en daar is een gegronde reden voor. Daarvoor neem ik u even mee terug naar de flitstocht van 2011. In mum van tijd was het voorbij, het publiek in verwarring achterlatend. De deelnemers zelf waren beduusd en uitgeput door het moordende tempo. Navraag bij de Opper Optocht Begeleider oogstte louter onbegrip: “We zijn voor het eerst eens een keer op tijd binnen…”, sprak de beste man voldaan. Talloze wagenbouwers werken zich maandenlang dag en nacht uit de naad om een indrukwekkende praalwagen neer te zetten. ’s Nachts droomt men over de optocht, hoe ze zingend en dansend het publiek vermaken, hoe ze de hele middag zelf nog het meest genieten van hun moeizame arbeid in een apocalyptische uitspatting van voldoening, hoe ze samen de sleur van het dagelijkse leven doorbreken in een orgasme van geluk die de hele middag en nacht mag duren. Maar helaas, zie hoe wreed het leven kan zijn. Al deze inspanning dient slechts één ultiem doel: de optocht moet op tijd binnen zijn.

Daarom, beste lezers en lezeressen, vraag ik me wel eens af of wij, De Kloosterwiekers, onszelf niet iets te serieus nemen.