Een theist is iemand die in god(-en) geloofd en een atheïst is iemand die dat niet doet. Punt. Meer is er niet. Dat het woord atheïst voor velen een negatieve lading heeft komt omdat de kerken allerlei foute eigenschappen aan atheïsten toebedelen. Stemmingmakerij, bedoeld om zieltjes te winnen.
Atheïsme is geen geloof, evenals het niet verzamelen van postzegels geen hobby is. Atheïsten kunnen zich groeperen in een politieke partij, of in een verbond. Daarmee is het geen religie of sekte. Vakbonden en politieke partijen zijn ook geen religies en sektes. Een atheïst wint geen zieltjes en wordt er niet beter van als er meer atheïsten bij komen. Een atheïst heeft geen belang bij wat jij vindt of gelooft en wil je ook niet overtuigen van zijn gelijk. Hij eist alleen voor zichzelf het recht op om niet te geloven wat jij gelooft. Daarnaast zijn er nog agnosten en ietsisten. Een agnost is iemand die het bestaan van god in het midden laat, hij weet het niet en dus kan hij het niet met zekerheid zeggen. Een ietsist is iemand die weliswaar ver af staat van de bijbelse leer maar gelooft dat er meer moet zijn tussen hemel en aarde, dat er ‘iets’ is. Voor mij persoonlijk zijn agnosten en ietsisten gewoon bang om als atheïst uit de kast te komen.
Religie is aannemen, aanvaarden en berusten. Twijfel is zinloos want god heeft per definitie gelijk. Gods wegen zijn immers ondoorgrondelijk. Twijfel is zelfs gevaarlijk want als god er achter komt dat je twijfelt kan je zomaar in de hel belanden als je dood bent. Religie is gebaseerd op angst. Religie dient niet god, maar enkel en alleen het voortbestaan van het instituut kerk. Er zijn vele omschrijvingen van het begrip ‘god’, en er zijn evenzovele varianten daarop die 1 op 1 inwisselbaar zijn met het begrip ‘geloof’. Je kunt geloven in het goede van de mens, of god zien in de schoonheid van de natuur, of geloven dat er toch meer moet zijn tussen hemel en aarde, of welke andere persoonlijke interpretatie je ook maar kunt bedenken. Al deze persoonlijke interpretaties zijn dwalingen want er is vrij duidelijk beschreven wie god is, wat hij kan en wat hij gedaan heeft. Ons godsbeeld is gebaseerd op de Abrahamistische god die ten grondslag ligt aan zowel het Jodendom, Christendom en de Islam. Abraham is een personage die voorkomt in zowel de Tenach, de Bijbel en de Koran. Vader Abraham is eigenlijk de stamvader van alle gelovigen. Volgens de Joden moet de ware Jacob nog komen, volgens de Christenen was Jezus de verlosser en volgens de Moslims was Mohammed de enig ware profeet. Drie variaties op één thema. Maar allemaal hebben ze het over één en dezelfde god.
Er zijn in de oudheid vele goden in omloop geweest. Tegenwoordig noemen we dat mythologieën. De Egyptische, Griekse en Romeinse goden werden aanbeden en vereerd en waren voor de gelovigen van toen net zo reëel als de Abrahamistische god dat nu voor ons is. Eigenlijk zijn we dus allemaal atheïst, voor wat betreft de vroegere goden, alleen ga ik gewoon één god verder.
dinsdag 26 juni 2012
donderdag 7 juni 2012
Veendam, mei 2012.
Mevrouw loopt over het voetpad. Molenstreek, landskant, langs de grote parkeerplaats en de vier flatgebouwen richting centrum. In haar rechterhand een wandelstok en in de linkerhand een draagtas van de Aldi. Ze loopt iets voorovergebogen, zwaar leunend op de stok. Haar bovenlijf helt om beurten gevaarlijk ver naar links en rechts over bij iedere stap. Haar benen zijn zichtbaar vanaf het brede deel van de kuit vanwaar ze in een vrijwel rechte lijn doorlopen naar beneden, tot vlak boven de zwarte schoen met hakje, waarin ze met een scherpe bocht verdwijnen. Het zichtbare deel van haar benen vertoont nylon steunkousen in de bekende kleur. Boven de kuit is een strook jurk te zien, geen echte bloemetjesjurk maar wel veelkleurig, blauw-paarsachtig, met blokjes en streepjes, alsof de ontwerper van de stof abstracte bloemetjes wilde tekenen maar zich op het laatste moment bedacht en er toen maar rechthoeken van gemaakt heeft. De rest van haar omvangrijke lichaam wordt omsloten door een halflange jas zonder ceintuur, in een kleur die het midden houdt tussen mintgroen en turquoise, een kleur die vermoedelijk alleen is voorbehouden voor regenjassen voor dames van haar generatie. Als ik me in het openbaar zou vertonen in een jas met die kleur zou iedereen me bespotten maar deze dame staat het prima. Het grootste deel van haar grijze permanent is bedekt met een transparant plastic regenkapje. Hoewel ze wat zwaar ademt vertoont haar gezicht geen tekenen van pijn of zorgen. Een neutrale, heldere blik. Ze kijkt aandachtig waar ze loopt. Voorwaar geen overbodige voorzorgsmaatregel gezien haar moeizame tred.
Vanuit tegenovergestelde richting komt een magere jongeman op een damesfiets. Spijkerbroek, gympen, grijs fleecevest met capuchon. Capuchon op en rits dicht. Hij is veel ouder dan zijn klederdracht zou doen vermoeden. Op zijn vaalbleke ingevallen gezicht zijn vlasachtige stoppels te zien. Het is vermoedelijk niet de uitvinder van het buskruit. Een eind verderop in de straat is een coffeeshop gevestigd. De fiets is een model van minstens 30 jaar oud. Iemand is 30 jaar geleden heel trots geweest op haar fonkelnieuwe Union die ze samen met haar man op de afgesproken dag afhaalde bij de rijwielhandelaar. De vrouw was, zo blij met haar nieuwe fiets, in een zeldzaam uitgelaten bui geweest en de man had later de nacht van zijn leven gehad. Nu is het ooit zo fiere stalen ros door de overjarige puber ontdaan van alle overbodig geachte onderdelen.
De dame met de stok en de jongeman op de fiets passeren elkaar rakelings. Of nee! De linker trapper raakt de Aldi-tas! De tas maakt een zwieper maar blijft heel en de mint-turquoise regenjas blijft gelukkig overeind. Dat ging nog maar net goed. De dame draait zich om, kwieker als ik voor mogelijk had gehouden, en roept de Union-coureur na. Maar tot haar grote schrik remt de jongeman en springt van zijn fiets. Met vier, vijf grote passen is hij de vrouw tot op anderhalve meter genaderd. Ondertussen heeft hij met zijn rechterhand een soort graaigebaar gemaakt, beginnend ter hoogte van zijn rechter schouder en eindigend voor zijn linker heup, waarbij zijn pink en wijsvinger gestrekt zijn en zijn duim de nagels van middel- en ringvinger beroert. Zijn capuchon is nu af en maakt zo zijn donkerblonde vette piekharen zichtbaar. Hij dient de vrouw van repliek maar wordt niet handtastelijk. De vetkuif staat geen moment stil, wiebelend op zijn gympen, zwaaiend met zijn armen. Zijn handen tot vuisten samengetrokken, maar niet echt strak gebald, waarbij nu alleen de middelvingers gestrekt zijn. Aan het schudden van het plastic regenkapje te zien bijt mevrouw flink van zich af. Een grijze lok heeft zich losgemaakt van het permanent en wipt vinnig op en neer, haar kanonnade krachtig ondersteunend. Uiteindelijk maakt het grijze fleecevest een laatste halfslachtig wegwerpgebaar en draait zich om, raapt zijn fiets op en gaat zijns weegs. Het regenkapje kijkt hem een seconde na en dan vervolgt ook zij haar weg. Het hele voorval duurde niet veel langer dan de tijd die u nodig had om dit verslag te lezen. Als ze voor mijn auto langsloopt hoor ik door het open raam nog net wat ze hoofdschuddend tegen zich zelf zegt:
“………’t Kon mien eigen olle fietse nog wel wezen……! Rapallie…..!“.
Vanuit tegenovergestelde richting komt een magere jongeman op een damesfiets. Spijkerbroek, gympen, grijs fleecevest met capuchon. Capuchon op en rits dicht. Hij is veel ouder dan zijn klederdracht zou doen vermoeden. Op zijn vaalbleke ingevallen gezicht zijn vlasachtige stoppels te zien. Het is vermoedelijk niet de uitvinder van het buskruit. Een eind verderop in de straat is een coffeeshop gevestigd. De fiets is een model van minstens 30 jaar oud. Iemand is 30 jaar geleden heel trots geweest op haar fonkelnieuwe Union die ze samen met haar man op de afgesproken dag afhaalde bij de rijwielhandelaar. De vrouw was, zo blij met haar nieuwe fiets, in een zeldzaam uitgelaten bui geweest en de man had later de nacht van zijn leven gehad. Nu is het ooit zo fiere stalen ros door de overjarige puber ontdaan van alle overbodig geachte onderdelen.
De dame met de stok en de jongeman op de fiets passeren elkaar rakelings. Of nee! De linker trapper raakt de Aldi-tas! De tas maakt een zwieper maar blijft heel en de mint-turquoise regenjas blijft gelukkig overeind. Dat ging nog maar net goed. De dame draait zich om, kwieker als ik voor mogelijk had gehouden, en roept de Union-coureur na. Maar tot haar grote schrik remt de jongeman en springt van zijn fiets. Met vier, vijf grote passen is hij de vrouw tot op anderhalve meter genaderd. Ondertussen heeft hij met zijn rechterhand een soort graaigebaar gemaakt, beginnend ter hoogte van zijn rechter schouder en eindigend voor zijn linker heup, waarbij zijn pink en wijsvinger gestrekt zijn en zijn duim de nagels van middel- en ringvinger beroert. Zijn capuchon is nu af en maakt zo zijn donkerblonde vette piekharen zichtbaar. Hij dient de vrouw van repliek maar wordt niet handtastelijk. De vetkuif staat geen moment stil, wiebelend op zijn gympen, zwaaiend met zijn armen. Zijn handen tot vuisten samengetrokken, maar niet echt strak gebald, waarbij nu alleen de middelvingers gestrekt zijn. Aan het schudden van het plastic regenkapje te zien bijt mevrouw flink van zich af. Een grijze lok heeft zich losgemaakt van het permanent en wipt vinnig op en neer, haar kanonnade krachtig ondersteunend. Uiteindelijk maakt het grijze fleecevest een laatste halfslachtig wegwerpgebaar en draait zich om, raapt zijn fiets op en gaat zijns weegs. Het regenkapje kijkt hem een seconde na en dan vervolgt ook zij haar weg. Het hele voorval duurde niet veel langer dan de tijd die u nodig had om dit verslag te lezen. Als ze voor mijn auto langsloopt hoor ik door het open raam nog net wat ze hoofdschuddend tegen zich zelf zegt:
“………’t Kon mien eigen olle fietse nog wel wezen……! Rapallie…..!“.
donderdag 31 mei 2012
Wie weet waar de buurvrouw woont?
Mijn linker dijbeen trilt en er komt geluid uit mijn broek. Ah, we hebben een beller! Het is de werktelefoon dus ik neem netjes op met bedrijfsnaam en mijn eigen naam.
“Met mevrouw Oldenburger uit Gramsbergen!”
Wat kan ik voor u doen?
“Ik ga op vakantie!”
Gefeliciteerd!
“U wou bij mij komen maar dan ben ik er niet.”
Ik heb op mijn lijst geen namen dus ik vraag naar het adres.
“Stationsstraat 5.”
Het betreft een appartementencomplex met vele appartementen. Ik vraag naar haar huisnummer.
“5.”
Mevrouw, wat is uw kamernummer?
“7783 EF”
Mevrouw, dat is uw postcode, mag ik uw huisnummer?
“Postcode? Daar weet ik niks van, wat moet je daar mee? Ik wou alleen maar even zeggen dat ik er niet ben als u komt.”
Mevrouw, ik heb even uw adres nodig.
“Dat heb ik je al gezegd: Stationsstraat 5!”
Ja maar, uw buren wonen ook op nummer 5, wat is uw nummer? 103 of 307?
“7783 EF! Oh nee, nou snap ik het: 203! Moet je ook op 307 wezen? Die man is er nooit, is altijd aan’t vissen. Zijn vrouw is vorig jaar net overleden.”
Ok, u staat op de woensdag, wanneer gaat u op vakantie?
“Wij gaan naar de Moesel, met een bus en dan op een boot. Vorig jaar gingen we naar de Rijn maar dat was niks, zo veel regen gehad, niks aan man, bah!”
Ja maar, wanneer ging u weg?
“Vrijdag een week later zijn we d’r weer. Zal wel laat worden. En ’s avond heb ik geen zin meer aan werkvolk over de vloer. Maar misschien werkt u ook wel niet ’s avonds. Komt u voor de verwarming? En de lamp in de badkamer is ook stuk. Ik heb de huismeester al gebeld maar hij komt maar niet.”
Mevrouw, wij komen voor de ventilatie. Kan het ook op dinsdag?
“Ventilatie? Het filter in de afzuigkap heeft mijn hulp pas vervangen! Komt u daar speciaal voor?”
Nee mevrouw, wij komen voor de mechanische ventilatie in uw huis, die ook de badkamer en de wc afzuigt. Kan ik misschien op dinsdag bij u terecht?
“Ik snap niet waar u het over heeft maar u zult het wel weten. Dinsdag kan niet want maandagmorgenvroeg gaan we immers al weg! De bus komt op het marktplein en daar moeten we instappen. In de bus is ook een wc en de chauffeur rijdt aan een stuk door! Op de Moesel gaan we met een boot.”
Misschien kunt u de sleutel bij de buurvrouw afgeven zodat zij ons er even in laat?
“Nee, want die ene buurvrouw dat wordt niks, zo vreselijk in de war, dat zal wel niet veel meer worden. Die andere buurvrouw is nog wel goed, dat zal wel kunnen.”
Welk nummer is dat?
“Dat weet ik niet. Ik woon hier al twee jaar en zij nog veel langer, maar waar ze woont, dat weet ik niet. Zo vaak spreek ik haar niet. We gaan wel eens samen kaarten of koffiedrinken of net gelijk wat maar verder niet.”
Zal ik u na de vakantie maar bellen voor een nieuwe afspraak?
“Doe dat maar, want de buurvrouw in huis als ik op de Moesel zit, dat lijkt me niks.”
Dag mevrouw, prettige vakantie.
“Dag hoor.”
“Met mevrouw Oldenburger uit Gramsbergen!”
Wat kan ik voor u doen?
“Ik ga op vakantie!”
Gefeliciteerd!
“U wou bij mij komen maar dan ben ik er niet.”
Ik heb op mijn lijst geen namen dus ik vraag naar het adres.
“Stationsstraat 5.”
Het betreft een appartementencomplex met vele appartementen. Ik vraag naar haar huisnummer.
“5.”
Mevrouw, wat is uw kamernummer?
“7783 EF”
Mevrouw, dat is uw postcode, mag ik uw huisnummer?
“Postcode? Daar weet ik niks van, wat moet je daar mee? Ik wou alleen maar even zeggen dat ik er niet ben als u komt.”
Mevrouw, ik heb even uw adres nodig.
“Dat heb ik je al gezegd: Stationsstraat 5!”
Ja maar, uw buren wonen ook op nummer 5, wat is uw nummer? 103 of 307?
“7783 EF! Oh nee, nou snap ik het: 203! Moet je ook op 307 wezen? Die man is er nooit, is altijd aan’t vissen. Zijn vrouw is vorig jaar net overleden.”
Ok, u staat op de woensdag, wanneer gaat u op vakantie?
“Wij gaan naar de Moesel, met een bus en dan op een boot. Vorig jaar gingen we naar de Rijn maar dat was niks, zo veel regen gehad, niks aan man, bah!”
Ja maar, wanneer ging u weg?
“Vrijdag een week later zijn we d’r weer. Zal wel laat worden. En ’s avond heb ik geen zin meer aan werkvolk over de vloer. Maar misschien werkt u ook wel niet ’s avonds. Komt u voor de verwarming? En de lamp in de badkamer is ook stuk. Ik heb de huismeester al gebeld maar hij komt maar niet.”
Mevrouw, wij komen voor de ventilatie. Kan het ook op dinsdag?
“Ventilatie? Het filter in de afzuigkap heeft mijn hulp pas vervangen! Komt u daar speciaal voor?”
Nee mevrouw, wij komen voor de mechanische ventilatie in uw huis, die ook de badkamer en de wc afzuigt. Kan ik misschien op dinsdag bij u terecht?
“Ik snap niet waar u het over heeft maar u zult het wel weten. Dinsdag kan niet want maandagmorgenvroeg gaan we immers al weg! De bus komt op het marktplein en daar moeten we instappen. In de bus is ook een wc en de chauffeur rijdt aan een stuk door! Op de Moesel gaan we met een boot.”
Misschien kunt u de sleutel bij de buurvrouw afgeven zodat zij ons er even in laat?
“Nee, want die ene buurvrouw dat wordt niks, zo vreselijk in de war, dat zal wel niet veel meer worden. Die andere buurvrouw is nog wel goed, dat zal wel kunnen.”
Welk nummer is dat?
“Dat weet ik niet. Ik woon hier al twee jaar en zij nog veel langer, maar waar ze woont, dat weet ik niet. Zo vaak spreek ik haar niet. We gaan wel eens samen kaarten of koffiedrinken of net gelijk wat maar verder niet.”
Zal ik u na de vakantie maar bellen voor een nieuwe afspraak?
“Doe dat maar, want de buurvrouw in huis als ik op de Moesel zit, dat lijkt me niks.”
Dag mevrouw, prettige vakantie.
“Dag hoor.”
woensdag 30 mei 2012
Tippie
“Je weet de weg en je gaat je gang maar” zegt ze als ze de deur voor me open doet. Terwijl ze verdwijnt in haar loggia sleep ik het appartement vol met mijn gereedschap. Een loggia is in dit geval een inpandig balkon met grote ramen die open kunnen. Op enig moment hoor ik haar praten. “Vrouwtje komt even bij Tippie zitten. Mag dat wel? Tippie liedje zingen? Vrouwtje wil Tippie even wat voer geven. Vind Tippie dat wel fijn?” Als het werk gebeurd is wil ik natuurlijk het mijne weten van Tippie. Het blijkt een parkiet te zijn. Het is haar negende parkiet. Parkieten worden al niet oud maar twee van de negen hebben zich ook nog vroegtijdig doodgevlogen. Tegen de ramen van de loggia. Ze heeft ze allemaal leren praten. Tippie heeft een woordenschat van wel 150 woorden! Kennelijk kijk ik wat ongelovig want ze zet haar verhaal meer kracht bij en doet uit de doeken hoe ze de beestjes zo ver heeft gekregen. Het leren praten is meer een soort conditioneren. De vogel bootst klanken na die vrouwtje eindeloos voorzegt bij een bepaalde handeling. Het dier gaat uiteindelijk het woord ‘zeggen’ als vrouwtje de handeling in stilte verricht. Bijvoorbeeld: vrouwtje pakt iets van tafel, een kopje of zo, en loopt er mee weg. “Zo, klaar alweer!” roept Tippie. Nog weer veel later zegt Tippie ‘klaar alweer’ als vrouwtje ‘zo!’ zegt. Ik wil natuurlijk een demonstratie maar Tippie is toch zeker Gekke Gerrit niet. Tippie zwijgt in alle talen. Het is beter als we buiten Tippies gezichtsveld zijn. En ja hoor, na enige tijd hoor ik in de verte een heel zacht vogelgemummel. Ik moet toegeven, er zijn in het gemummel met enig inlevingsvermogen wel degelijk enkele woorden te herkennen.
Volgens mevrouw voert ze hele gesprekken met Tippie. Dat vind ik dan wel weer sneu. Van pure eenzaamheid gesprekken voeren met een vogel die alleen maar reageert op klanken die je zelf voorzegt. Maar misschien zie ik het wel te somber in. Bij het afscheid verzucht mevrouw dat de mensen haar niet geloven als ze van Tippie verteld. Tja, dat heb je soms. Maar ze heeft er iets op bedacht! Vragend kijk ik haar aan. Ze trekt een la open en haalt er een hypermodern dicteerapparaat uit. Digitaal vanzelf. Hiermee snoert mevrouw alle Tippie-sceptici de mond! Keihard bewijs! Mijn bewonderende stilte mag worden opgevat als een verzoek om een demonstratie. Mevrouw begrijpt de hint en drukt verwoed op alle knoppen die het apparaat rijk is maar ook een digitale dicteermachine is toch zeker Gekke Gerrit niet. Plotseling gaat haar een licht op: “Oh ja, mijn zoon zou er altijd nog een keer batterijen in doen…….”.
Volgens mevrouw voert ze hele gesprekken met Tippie. Dat vind ik dan wel weer sneu. Van pure eenzaamheid gesprekken voeren met een vogel die alleen maar reageert op klanken die je zelf voorzegt. Maar misschien zie ik het wel te somber in. Bij het afscheid verzucht mevrouw dat de mensen haar niet geloven als ze van Tippie verteld. Tja, dat heb je soms. Maar ze heeft er iets op bedacht! Vragend kijk ik haar aan. Ze trekt een la open en haalt er een hypermodern dicteerapparaat uit. Digitaal vanzelf. Hiermee snoert mevrouw alle Tippie-sceptici de mond! Keihard bewijs! Mijn bewonderende stilte mag worden opgevat als een verzoek om een demonstratie. Mevrouw begrijpt de hint en drukt verwoed op alle knoppen die het apparaat rijk is maar ook een digitale dicteermachine is toch zeker Gekke Gerrit niet. Plotseling gaat haar een licht op: “Oh ja, mijn zoon zou er altijd nog een keer batterijen in doen…….”.
dinsdag 22 mei 2012
Twee Sonnettettes in Drieks geest …..
Songfestival
Deze week is het weer raak:
volksgekte met melodie doorspekt.
Elk land zend zijn ergste act
terwijl ik op de beeldbuis braak.
Gelukkig gaat de televisie uit
als ik mijn toetsenbord ontsluit.
Tentenkamp Ter Apel
Van heinde en verre komen zij
uit hun schuilplaatsen gekropen,
om in Ter Apel op status te hopen.
Ook Occupiers komen er bij,
die kunnen altijd naar hun thuisland terug,
maar eerst even publiciteit over de uitgeprocedeerde rug.
zondag 20 mei 2012
Hiernamaals
Ik was laatst op een feestje, daar sprak ik een meneer.
Die had er veel verstand van, maar waarvan weet ik niet meer.
Hij praatte en vertelde, het ging aan een stuk door.
Op het laatst werd het vervelend, deed pijn aan het gehoor.
Ik was laatst op een feestje, daar zag ik een mevrouw.
Ze deed heel erg haar best, maar de reacties waren lauw.
Ze pronkte en ze showde, ze hield een heel betoog,
Op het laatst werd het vervelend, vertroebelde het oog.
Ik was laatst op een feestje, maar ik zag alleen mezelf.
Ik praatte en ik pronkte, en dat ging door tot kwart voor elf.
Dan was ik weer die knappe heer, dan weer die mooie vrouw.
Maar op het laatst besefte ik, dit is niet wat ik wou.
Toen ging ik naar een kerk, maar ik zag niemand meer.
Geen mooie vrouw, niet eens mezelf en ook geen lieve heer.
Ik geloofde de verhalen niet en had ook geen plezier.
Als dit het leven is, dacht ik, dan leef ik het niet hier.
Ik was laatst bij een uitvaart, maar zag en hoorde niets.
Men snotterde en huilde, iemand hield een lange speech.
Ik wist niet wat ik te zoeken had, één dikke grijze mist.
Tot dat ik in de gaten kreeg, ik lig zèlf in die kist.
Ik was laatst in de hemel, dat is pas een saaie boel.
Niemand thuis, de kachel uit, niet eens een luie stoel.
Ik dacht nog, God, wat doe ik hier, dit heeft geen enkele waarde.
Als er ergens iets te leven valt, dan is het wel op aarde.
Nu sta ik in het leven, het is de moeite waard.
En ik ben zielsgelukkig dat ik niet volledig was ontaard.
Daarom, ga door met leven, het is niet altijd feest.
Het hiernamaals is een zoete droom, totdat je er bent geweest.
Die had er veel verstand van, maar waarvan weet ik niet meer.
Hij praatte en vertelde, het ging aan een stuk door.
Op het laatst werd het vervelend, deed pijn aan het gehoor.
Ik was laatst op een feestje, daar zag ik een mevrouw.
Ze deed heel erg haar best, maar de reacties waren lauw.
Ze pronkte en ze showde, ze hield een heel betoog,
Op het laatst werd het vervelend, vertroebelde het oog.
Ik was laatst op een feestje, maar ik zag alleen mezelf.
Ik praatte en ik pronkte, en dat ging door tot kwart voor elf.
Dan was ik weer die knappe heer, dan weer die mooie vrouw.
Maar op het laatst besefte ik, dit is niet wat ik wou.
Toen ging ik naar een kerk, maar ik zag niemand meer.
Geen mooie vrouw, niet eens mezelf en ook geen lieve heer.
Ik geloofde de verhalen niet en had ook geen plezier.
Als dit het leven is, dacht ik, dan leef ik het niet hier.
Ik was laatst bij een uitvaart, maar zag en hoorde niets.
Men snotterde en huilde, iemand hield een lange speech.
Ik wist niet wat ik te zoeken had, één dikke grijze mist.
Tot dat ik in de gaten kreeg, ik lig zèlf in die kist.
Ik was laatst in de hemel, dat is pas een saaie boel.
Niemand thuis, de kachel uit, niet eens een luie stoel.
Ik dacht nog, God, wat doe ik hier, dit heeft geen enkele waarde.
Als er ergens iets te leven valt, dan is het wel op aarde.
Nu sta ik in het leven, het is de moeite waard.
En ik ben zielsgelukkig dat ik niet volledig was ontaard.
Daarom, ga door met leven, het is niet altijd feest.
Het hiernamaals is een zoete droom, totdat je er bent geweest.
donderdag 17 mei 2012
Naakt in de klapstoel, dagrecreatie in Drenthe…..
Op de terugweg van de Hemelvaartsmarkt te Gieterveen, waar honderden kooplui hun waren op straat en in garages, schuren en kraampjes hebben uitgestald die werkelijk helemaal niemand wil kopen, op de patat en frikadellen na, komen we langs de aldaar bekende naturistencamping te Valthermond. Er wordt druk gewerkt, de schutting en struiken liggen plat. Wat er verder gebeurt gaat verscholen achter nog meer schuttingen en struiken. Niet veel om een hele blogpagina aan te wijden zult u denken maar blijf even hangen, er komt nog meer. Wat mij inspireerde tot dit stukje was namelijk een bord in de tuin waarop stond dat je er nu ook terecht kan voor naturistische dagrecreatie.
Dagrecreatie is je bepakt en bezakt met genoeg eten en drinken voor ongeveer een maand te begeven naar een stuk grasveld, door Staatsbosbeheer speels afgezet met paaltjes, in het bos om daar middels klapstoel en handdoek een stuk terrein te confisqueren om daar, onderwijl jouw land verdedigend tegen naburige confisquanten, de meegebrachte leeftocht nog voor het donker te consumeren. Tussendoor gaan enkele extreme fanatici elkaar te lijf met een volleybal of met badmintonrackets. De mannelijke luilakken blijven zitten in hun klapstoel onder een parasol en lezen een hobbytijdschrift. Daar doen ze heel lang over want de meeste tijd gaat om met het bekijken van jonge meiden in bikini. De bijbehorende dames zijn dan allang in slaap gevallen boven pagina 16 van de Libelle of Margriet.
Dat kan nu ook in Valthermond, maar dan in je blote kont. Ik stel me voor hoe ik, naakt zittend in mijn klapstoel, terwijl mijn huis- tuin- en bedgenote naakt slaapt boven pagina 16 van reeds eerder genoemde ééndagsliteratuur, me verdiep in een tijdschrift over treintjes. Badmintonnen en volleyballen zult u mij niet snel zien doen. En jonge meiden in bikini tref je daar niet aan. Saaie boel. Dan kun je nog beter naar Staatsbosbeheer. Blijft over het eten en drinken. Om een maandrantsoen aan voedsel binnen de gegeven tijdsspanne weg te werken moet je flink doorpakken. Daarbij gaat er wel eens iets mis. Steevast valt er een klodder slagroom, mayonaise of andersoortige geleiachtige substantie op je borst. Kruimels en zelfs hele voedselbrokken vallen in je schoot. Bier en cola en koffie en thee op je dijbenen. Naakt. Een klodder slagroom op een vrouwenborst, daar zie ik de lol nog wel van in. Maar voedselresten in mijn schaamhaar, dank u wel.
Een blote dame, het naakt recreëren nog niet tot in de finesses beheersend, knoeit iets op haar borsten en haar schoot. In een niet te onderdrukken reflex springt ze op en beklopt voorovergebogen met de rug van haar rechter hand genoemde lichaamsdelen. Met haar linker hand met daarin de veroorzaker van het geklieder wijst ze schuin naar boven. Daarna wrijft ze met de binnen- en buitenkanten van haar handen beurtelings langs haar glanzende dijbenen...... ik kom niet meer bij.
Weet je wat, laat die meiden in bikini maar zitten.
Dagrecreatie is je bepakt en bezakt met genoeg eten en drinken voor ongeveer een maand te begeven naar een stuk grasveld, door Staatsbosbeheer speels afgezet met paaltjes, in het bos om daar middels klapstoel en handdoek een stuk terrein te confisqueren om daar, onderwijl jouw land verdedigend tegen naburige confisquanten, de meegebrachte leeftocht nog voor het donker te consumeren. Tussendoor gaan enkele extreme fanatici elkaar te lijf met een volleybal of met badmintonrackets. De mannelijke luilakken blijven zitten in hun klapstoel onder een parasol en lezen een hobbytijdschrift. Daar doen ze heel lang over want de meeste tijd gaat om met het bekijken van jonge meiden in bikini. De bijbehorende dames zijn dan allang in slaap gevallen boven pagina 16 van de Libelle of Margriet.
Dat kan nu ook in Valthermond, maar dan in je blote kont. Ik stel me voor hoe ik, naakt zittend in mijn klapstoel, terwijl mijn huis- tuin- en bedgenote naakt slaapt boven pagina 16 van reeds eerder genoemde ééndagsliteratuur, me verdiep in een tijdschrift over treintjes. Badmintonnen en volleyballen zult u mij niet snel zien doen. En jonge meiden in bikini tref je daar niet aan. Saaie boel. Dan kun je nog beter naar Staatsbosbeheer. Blijft over het eten en drinken. Om een maandrantsoen aan voedsel binnen de gegeven tijdsspanne weg te werken moet je flink doorpakken. Daarbij gaat er wel eens iets mis. Steevast valt er een klodder slagroom, mayonaise of andersoortige geleiachtige substantie op je borst. Kruimels en zelfs hele voedselbrokken vallen in je schoot. Bier en cola en koffie en thee op je dijbenen. Naakt. Een klodder slagroom op een vrouwenborst, daar zie ik de lol nog wel van in. Maar voedselresten in mijn schaamhaar, dank u wel.
Een blote dame, het naakt recreëren nog niet tot in de finesses beheersend, knoeit iets op haar borsten en haar schoot. In een niet te onderdrukken reflex springt ze op en beklopt voorovergebogen met de rug van haar rechter hand genoemde lichaamsdelen. Met haar linker hand met daarin de veroorzaker van het geklieder wijst ze schuin naar boven. Daarna wrijft ze met de binnen- en buitenkanten van haar handen beurtelings langs haar glanzende dijbenen...... ik kom niet meer bij.
Weet je wat, laat die meiden in bikini maar zitten.
Abonneren op:
Posts (Atom)