woensdag 28 juni 2017

Honni soit qui mal y pense….

Het standpunt van de schilder bevind zich schuin boven het dak. Alsof de schilder vanaf een elektriciteitsmast naar beneden kijkt. De kleur van de muren is donkerrood, paars bijna. Het gras en de bladeren aan de bomen zijn van hetzelfde heldere groen. De lucht is strakblauw. Er is geen contrast tussen lichte en donkere plekken en van schaduw is geen sprake. Alle voegen zijn ingetekend in helder grijs. De bakstenen zijn veel te groot, de voegen veel te dik. De toeschouwer kijkt tussen de bomen op de voorgrond door naar het huisje. Daardoor lijkt het net alsof het huisje op een punt balanceert, als betrof het een kubuswoning van Piet Blom. De bomen lijken vlak voor het huisje te staan en toch belemmert geen van de bomen het zicht op het huisje. Daardoor lijkt het huisje veel te klein in verhouding tot de rest van het schilderij. De schilder had kennelijk moeite met het vinden van het perspectief, het bepalen van de verhoudingen en met het mengen van de kleuren. Het werk is wel gesigneerd. Ik denk dat de schilder het uit het hoofd heeft gemaakt, zonder foto of voorbeeld. Gewoon zoals het hem voor de geest stond. Maar wie ben ik om er iets van te zeggen?

Het schilderijtje hangt aan de muur in de gang van het appartement op de eerste verdieping. Over het algemeen hebben ouderen teveel spullen. Die vulden de schier oneindige ruimtes van de oude vertrouwde vrijstaande woning. Komt men ter bezichtiging naar een seniorencomplex met een atrium dan lijkt zo’n appartement nog heel wat. Zodra het bankstel en het wandmeubel op hun plek staan zie je de beperkingen. De beschikbare wandruimte heeft net genoeg plaats voor de onvermijdelijke foto’s van kinderen, aangetrouwden en kleinkinderen. Een enkele overleden dierbare past er nog wel bij. Maar voor erg veel kunst is er geen plaats. Amateurkunst wordt bewaard vanwege de herinneringen die aan een object kleven of uit piëteit met de kunstenaar. Wat niet in de kamer past komt in de gang aan de muur. Wat daar ook niet past maar wat men desondanks niet kwijt wil komt op de galerij aan de muur. De rest gaat onvermijdelijk naar de kringloop. Het huisje op het schilderij is het huisje waar een overleden dierbare in de eerste lijn nog heeft gewoond. Heel lang geleden. De schilder was in de verte ook nog familie. Hij moest tante zeggen tegen iemand die in de verte ook nog familie was. Het huisje stond in een gehucht in Westerwolde, niet ver van de plaats waar het seniorencomplex staat.


Op de derde verdieping valt mijn oog op een schilderijtje van een huisje. Hier hangt het op de galerij aan de muur. Het voorportaal van de kringloop. Gelukkig heeft een seniorencomplex met atrium veel galerijmuur. Je kunt er amateurkunst van vele generaties op kwijt. Maar er zijn te weinig seniorencomplexen zodat veel kunst alsnog in de kringloop verdwijnt. Ik zet mijn leesbril er bij op. Het is een schilderij, geen drukwerk. De overeenkomsten met het werk op de eerste verdieping zijn overduidelijk. Het is hetzelfde huisje en dezelfde schilder. Aan het werk kent men de meester. Dit schilderijtje is niet gesigneerd. Je kunt als kunstschilder niet aan de gang blijven met dat gesigneer, moet de kunstenaar gedacht hebben. Misschien vond de schilder oude huisjes in gehuchten een heel mooi onderwerp om te schilderen en lijken dit soort huisjes in Westerwolde gewoon allemaal op elkaar. Of was er een andere inmiddels overleden dierbare die ook eenzelfde schilderij van de ouderlijke woning wilde. We zullen het nooit weten. De eigenaar wilde het eerst wegdoen. Maar ach, het was een link naar het verleden. Het was, hoe verrassend, het huisje van een overleden dierbare in de eerste lijn. De schilder schijnt ook nog familie te zijn geweest. Maar dat wist hij niet zeker. Het huisje moet hier in de buurt hebben gestaan, waar precies wist hij niet meer. Ik vroeg of hij soms familie heeft hier in de flat. Dat bleek niet het geval te zijn. Daar heb ik het maar bij gelaten. Wie ben ik om er wat van te zeggen?

zondag 4 juni 2017

Gat in de Wapiti

Op zoek naar plaatjes van indianen surfte ik langs een website met een namengenerator voor indiaanse namen. Ik hoopte op iets als Dappere Adelaar of Witte Veder. Bevreesd was ik voor Ranzige Bunzing of Kwakende Kikker. Nee, het werd Gat in de Wapiti. Moet ik hier nou blij mee zijn? Slaat het Gat in de Wapiti op de anus van de Noord-Amerikaanse versie van ons edelhert? Of is het Gat ontstaan omdat ik in een vorig leven als indiaan buitensporig bekwaam was in het doorboren van het hart van een rennende Wapiti op 100 meter afstand met een door mijn krachtige arm geworpen kunstig zelfgemaakte speer? Zelf nijg ik naar de laatste optie. Maar zeer verrast was ik op de verwijzing naar Wapiti. Daarvoor verwijs ik graag naar mijn jeugdherinneringen betreffende het Wapitigebied (Denap, 13 januari 2017). Is dit toeval? Of is er dan toch iets spiritueels aan de hand? Zelf nijg ik naar de eerste optie. Het kan ook zijn dat de programmeur van de namengenerator er een paar slimme algoritmes heeft ingebouwd die razendsnel in het wereldwijde web een link hebben gevonden tussen mijn naam en het woord Wapiti. Algoritme is een woord wat je tegenkomt in moderne spionageromans. Het is iets waarmee de goeden en de kwaden elkaar op het internet te lijf gaan. Meer weet ik er niet van.

Maar genoeg hierover. Misschien moet ik even uitleggen hoe ik bij de indianen terecht ben gekomen. Dat komt omdat ik op mijn expedities door huurwoningen op zoek naar (sporen of resten van) mechanische ventilatie vaak geconfronteerd wordt met afbeeldingen van Dappere Krijgers. Veelal in combinatie met dromenvangers die aan het plafond hangen en afbeeldingen van wolven. Wolven en indianen hebben kennelijk iets met elkaar. Indianen, op een enkele Pocahontas na, zijn bijna altijd oude mannen met gerimpeld gelaat. Niet alleen als poster of schilderij maar zelfs complete standbeelden kom ik tegen. Het toppunt van kitsch vind ik de 3D-posters waarbij het gezicht of borstbeeld van het opperhoofd als een spook uit het doek naar voren komt. Laats was ik in een huis waar de hele inrichting was samengesteld uit attributen van inheemse volkeren. De indianen en dromenvangers waren gecombineerd met bamboe, middeleeuws wapentuig, Afrikaanse beelden en Djembés. Grappig vond ik een scalp van een van zijn slachtoffers. Het bleek gelukkig echter te gaan om een oude pruik. Volgens de bewoner is het inderdaad een allegaartje van culturen en tijdperken maar past dat samen in een stroming van mensen die Fantasy als hobby hebben. Pseudomystiek. Er zijn hele festivals van waar men samenkomt en elkaars kostuum met bijbehorende act bewonderd en waar kramen zijn waar men Fantasy-attributen kan kopen. De laatste keer dat ik in zijn woning was liep hij rond in een lange jurk. Ik keek daar niet meer van op.

Wat mij echter opviel was de uitdrukkingen van die eindeloze stroom indianenplaatjes. Ze kijken allemaal, maar dan ook echt allemaal, echt, geen fake news, ik meen het, geloof me, vertrouw me, strontchagrijnig. Indianen waren vroeger allemaal strontchagrijnig. Niemand uitgezonderd. Echt. Wat moet dat een treurig en mistroostig zooitje zijn geweest in die wigwamdorpen. Geen lachje kon er af. De hele dag liep men daar in die tentenkampen rond met een chagrijnig gezicht: “Hoe was je dag Eenzame Wolf?”, “Ach, hou toch je bek Pocahontas…….” Zoiets stel ik me voor. Een en al ellende.

Op mijn surftocht op het internet (Denap doet soms summier vooronderzoek voor zijn stukjes) kwam ik langs echte oude zwart-witfoto’s van indianen. En wat bleek? Ook op de originele foto’s die ongetwijfeld als voorbeeld hebben gediend voor die wanstaltige kitschposters kijken ze ook allemaal chagrijnig. Daar keek ik wel van op. Tot voor kort dacht ik dat die gezichtsuitdrukkingen expres door de tekenaar waren aangebracht en moesten duiden op een soort grote wijsheid of pseudo-melancholie maar nu weet ik dat ze inderdaad zo uit hun ogen keken. Verder onderzoek bracht aan het licht dat op oude zwart-witfoto’s uit West-Europa uit die tijd de mensen ook allemaal zo’n uitgestreken smoel trokken. Zal wel iets te maken hebben met het wantrouwen ten opzichte van figuren die met een zwarte mantel over hun hoofd door een gat in een vierkante zwarte doos naar je keken en dat je dat na enkele dagen kon terug zien op een stuk dik papier.

Of dat voor die indianen ook gold weet ik niet. Kan ook zijn dat ze zo chagrijnig waren omdat ze zojuist bijna waren vermoord door die blanke vreemdelingen maar op het nippertje werden gespaard omdat ze door die bloody foreigners zonodig als curiositeit tentoongesteld moesten worden. Dan zou ik ook strontchagrijnig kijken. Misschien kijkt Donald Trump, de man die de Verenigde Staten terugwerpt naar de donkerste middeleeuwen, daarom wel zo chagrijnig. Hij is ook gewoon bang voor bloody foreigners.

zondag 14 mei 2017

Zalig zijn de eenvoudigen van geest

Als J.K. Rowling een boek schrijft over een voor gewone mensen onzichtbaar en onvindbaar kasteel waar kinderen les krijgen in toveren, zich verplaatsen via de brandende open haard en vliegende auto’s en dan onderweg klappen krijgen van een woedende boom, vind iedereen dat eigenlijk heel normaal. Oké, toveren kan niet echt maar het is knap geschreven, spannend en vooral de verfilming is prachtig om te aanschouwen. Ook zijn hele generaties opgegroeid met een zeshonderd jaar oude man die gekleed in een rode mantel op een wit paard over de daken rijdt om cadeautjes door de schoorsteen te gooien. Ook als je in een flat twaalf hoog woont. En met wolven die omaatjes en geitjes opeten, die dat echter gewoon overleven. En met boze heksen en onschuldige kinderen die op miraculeuze wijze de strijd tegen die heksen telkens weer weten te winnen. Iedereen snapt dat deze verhalen niet waar gebeurd zijn.

Er is iets aan de hand met onschuldige kleine kinderen in combinatie met dingen die niet kunnen. Het is een thema wat voor vele doeleinden geschikt is. Zo is er een heel oud boek wat vol staat met dingen die niet kunnen zoals tovenarij, onmogelijke natuurverschijnselen, wrede koningen en onschuldige kinderen die daar het slachtoffer van zijn. Volgens mij heeft Rowling dat boek eens goed bekeken, zich achter de oren gekrabd en gedacht: “Dat kan ik ook, maar dan beter.” Dat is haar goed gelukt al had haar marketingcampagne niet de kracht en het volume van tweeduizend jaar indoctrinatie. Daardoor wordt dat oude boek klakkeloos als waarheid geaccepteerd en worden de boeken van Rowling en de gebroeders Grimm als sprookjes afgeserveerd.

Gisteren zag ik op het journaal de heiligverklaring van twee Portugese kinderen langs komen. Mijn mond viel open van verbazing. Hoe is dit mogelijk? Het antwoord ligt voor de hand: in godsnaam. In een tijdperk waar huilende madonna’s gewoon stenen beelden blijken te zijn die door een oude priester op stille momenten van tranen werden voorzien, waar wonderen natuurverschijnselen bleken te zijn of toevalligheden die door belanghebbenden met valse verklaringen werden verdraaid tot dingen die toch ‘zeker geen toeval meer konden zijn’, krijgt het Vaticaan het voor elkaar om twee kleine kinderen heilig te verklaren omdat ze een personage uit het voornoemde tweeduizend jaar oude sprookjesboek zouden hebben gezien. Ik heb eens even gegoogeld en stuitte op een heuse website, beheerd door een Nederlandse stichting die god betere het ook nog eens de ANBI-status heeft gekregen en daar ook nog trots op is. Op die site staat letterlijk beschreven hoe een en ander in zijn werk ging. Van een engel die uit de hemel kwam en die de kinderen voordeed hoe ze moesten bidden en vooral hoe vaak ze het moesten doen, die uiteindelijk met de aankondiging kwam dat Maria zelf ze zou bezoeken die ze van alles zou vertellen. Het is werkelijk te bizar voor woorden. Men verwijt mij wel eens dat ik religie ridiculiseer. Nou, dat doen ze toch echt zelf. Natuurlijk ging het er over dat de kinderen erg zouden lijden maar dat ze het konden dragen omdat ze na hun dood bij Jezus zouden zijn. Typisch christendom om altijd maar weer onschuldige kinderen te laten lijden en dat goed te praten met de onvermijdelijke allesverzoenende dood. Ook deed Maria allerlei voorspellingen en liet ook nog eens drie geheimen achter die door het Vaticaan werden gekoesterd. Niemand mocht weten wat die geheimen waren want anders was het immers niet meer geheim. Hoe die geheimen dan op genoemde website, en ook op Wikipedia, terecht zijn gekomen is een bijkomstigheid waar we niet over moeten vallen vrees ik.

Met Maria is wat geks aan de hand. Naast deze Portugese kindertjes heeft ze dat geintje vaker geflikt. Bekend is ze van Lourdes natuurlijk, maar ook in het nabijgelegen Heede, hier vlak over de grens in Duitsland, is ze op bezoek geweest in 1934. Ook weer bij een stel kleine meisjes die in een schuur aan het spelen waren terwijl de ouders het zo druk hadden met Frühschoppen dat ze de kinderen totaal vergeten waren. Maria zoekt kennelijk kinderen op uit eenvoudige orthodox katholieke milieus, door hun ouders op pad gestuurd om geiten te hoeden, hout te sprokkelen of gewoon even uit het oog verloren, helemaal alleen in een bos of veld, overgeleverd aan hun eigen fantasie en gedurende langere tijd geen volwassene in de buurt om zaken te relativeren of de kinderen in de werkelijkheid terug te laten keren met een glaasje ranja, een knuffel of een aai over de bol. Zonder de juiste duiding gaan kinderen met hun fantasieën op de loop. Er zitten monsters onder hun bed en de favoriete pop kan echt dingen terug zeggen die alleen de poppenmoeder kan horen. Dagen lang alleen op een berghelling om op de geiten te passen leidt tot enge beesten achter een struik en een zonnestraal tussen het gebladerte door kan zomaar een geestverschijning zijn. Maria zoekt juist die kinderen op om aan te verschijnen. Naast de gebruikelijke rimram over de rozenkrans die de kinderen ook van de pastoor horen vertelt Maria hen ook over grote wereldse zaken. En dat is gek. Want als ik Maria zou zijn en ik heb een boodschap voor de hele mensheid dan zou ik een ander podium zoeken dan een arm ongeletterd kind in een kleine afgesloten katholieke dorpsgemeenschap. Dat is ook zoiets, Maria doet het alleen bij katholieke kindertjes, nooit bij gereformeerde kindertjes.

Ik vraag me toch werkelijk af of de paus en zijn gevolg dit zelf allemaal geloven. Zijn ze er echt van overtuigd dat god naast zijn zoon lang geleden nu nog steeds engelen en zelfs de moeder van zijn zoon die echter niet zijn vrouw is, naar de aarde stuurt? Of is het poppenkast voor de simpele ziel om het geloof en de trouw aan de kerk in stand te houden? Of om de geldstroom op gang te houden? Mijn ouders waren zeer gelovige katholieken. Zouden zij echt geloofd hebben in huilende beelden en Mariaverschijningen? Ik kan het me niet voorstellen, sterker nog, ik weet haast wel zeker dat zij dit met een flinke korrel zout zouden hebben genomen. Niet geheel toevallig is het christendom ontstaan in Rome. Daar waar de Romeinse keizers heersten over de halve wereld. En die hadden al een truc om het morrende gepeupel koest te houden: “Geef het volk brood en spelen”. 

donderdag 13 april 2017

Een gewone straat.

Het is een gewone straat in een nette buurt. Twee blokken van vier woningen vlak bij het centrum van een Gronings dorp. De rest van de huizen in de straat zijn vrijstaande koopwoningen. Deze twee blokken vormen samen de laatste sociale huurwoningen in dit deel van het dorp. Ze stammen uit de tijd dat er nog toewijzingsbeleid was. De huur nog wekelijks contant werd opgehaald waarbij de ontvanger dan tevens keek of de hegjes waren geknipt, het gras was gemaaid en of de gordijnen nog wel netjes voor de ramen hingen. En was dat niet het geval dan werd er een opmerkingen over gemaakt. En in die tijd liet je het wel uit je hoofd om zo’n opmerking te negeren. Deze straat was bedoeld voor gemeenteambtenaren, postbodes, buschauffeurs en voorlieden. Dat soort lui.




Toewijzingsbeleid bestaat al lang niet meer al beweert men nog steeds het tegenovergestelde. Zo kan het dus gebeuren dat in een seniorencomplex, compleet met atrium met gezamenlijk biljart en zitjes met vloerbedekking op de galerijen zomaar een verslaafde overlast gevende sociaal onaangepaste viespeuk naast de 85 jarige mevrouw De Vries komt te wonen aan wie 15 jaar geleden is beloofd dat ze levensloopbestendig en veilig tot aan haar dood in dit seniorencomplex kon blijven wonen. Een straat verderop woont echtpaar Janssen al dertig jaar in hetzelfde huis. De Janssens hebben de stap naar koop nooit durven maken en toen de buurt begon te verpauperen waren ze te oud om er nog aan te beginnen. En nu krijgen ze bij de grootscheepse renovatie geen nieuwe keuken omdat die er nog te netjes uitziet al is hij dan 30 jaar oud terwijl de nieuwe buren inmiddels toe zijn aan hun derde keuken omdat het ze maar niet lukt zich fatsoenlijk te gedragen. Nog los van de Pitbullstront, het lawaai, de intimidaties en de pesterijen.

In de straat uit de eerste alinea zijn de meeste bewoners, huisjes en tuintjes nog als toen. Zeer brave burgermannen en vrouwen. In de laatste twee tuintjes is de begroeiing iets hoger dan de overige tuintjes. Bij de een betreft het de tuin van een gepensioneerde gemeenteambtenaar maar zijn tuin is geen probleem voor de overige huurders want hij woont er al vanaf het begin en bovendien is hij immers een gepensioneerde gemeenteambtenaar. De andere tuin is echter wel een probleem want daar woont een alleenstaande vrouw en die heeft een vriendin die in de weekenden komt. Dat kan natuurlijk niet en dus is haar tuin wel lelijk en die van de oude man niet. In de eerste zes woningen werd me al gewaarschuwd voor het laatste huisje met die vrouw alleen er in en met die wilde tuin. En ze heeft ook nog twee honden. En ze is een westerling want ze praat geen Gronings. In de zevende woning, die van de gepensioneerde ambtenaar, wordt me te verstaan gegeven dat niemand met haar omgaat en dat hij eens eigenhandig een tak heeft afgeknipt van een struik die wel 20 centimeter hoger was dan de struik in zijn tuin. De verwachting was hooggespannen. Wat zou ik allemaal aantreffen in het achtste huis? Ze doet open en zegt goedemorgen. Ik vertel wat ik kom doen en ze laat me binnen. Pas dan zie ik een hond zo groot als een shetlandpony. Het is bruin en ruig behaard. Tot overmaat van ramp staat er een zo mogelijk nog groter exemplaar in het keukentje er achter. Ik kan de reflex om te vluchten ternauwernood onderdrukken. Maar de dieren geven geen kik en kijken alleen maar. Mevrouw vraagt op vriendelijke toon waarom ze niet even in de tuin gaan en geloof het of niet, de beesten keren zich op slag om en lopen bedaard de tuin in. Ze keuren mij verder geen blik meer waardig. Het huis is brandschoon. Je ruikt niet dat er tevens twee volwassen Newfoundlanders wonen met voederbakken zo groot als wasteilen en drinkbakken zo groot als opblaasbare speelbadjes. Geen brokje ligt er naast en geen druppel water is gemorst. Ik moet boven zijn en terwijl ik de trap op loop zet zij vast koffie. Op de vraag of ze hier met plezier woont zucht ze diep. Toen ze hier pas kwam belde ze bij de buren aan om zich voor te stellen. “Dat doen we hier niet.” kreeg ze te horen en de deur werd voor haar neus dichtgesmeten. Sindsdien heeft niemand ooit een woord tegen haar gezegd. Vorig jaar gleed ze uit op bevroren sneeuw. Ze had een hersenschudding, een verbrijzeld bekken en een klaplong. Hoe ze thuis is gekomen weet ze niet meer. Ze heeft een dag en een nacht op de bank gezeten en kon zich niet verroeren. Toen belde ze de huisarts. Die kwam niet want ze moest maar een aspirientje nemen en vroeg naar bed. De buren in het vrijstaande huis naast het oude huurblok merkten dat er iets niet klopte en ontfermden zich over haar. Ze belden 112 en ze werd met de ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis. Daarna heeft ze 12 weken op een bed in de kamer gelegen want ze wilde niet naar een verzorgingshuis. Haar zuster kwam over uit Amsterdam en die heeft al die tijd voor haar gezorgd. De buren van het vrijstaande huis zorgden voor de honden. Niemand van de buren uit de twee huurblokjes heeft zich ooit om haar bekommerd terwijl ze toch gemerkt moeten hebben dat ze niet meer buiten kwam met haar honden. En tien tegen een dat ze de ambulance wel hebben gezien. Ook de huisarts liet zich al die tijd niet zien. Die kwam pas maanden later toen hij een berisping kreeg van de tuchtraad. Om zijn excuses aan te bieden. Vorige maand kocht ze een nieuwe auto die ze speciaal voor de twee shetlandpony’s liet aanpassen. De achterbank werd er uit gehaald en een vloer gemaakt waar de beesten op konden liggen. Er kwam een speciaal bankje bij bekleed met dezelfde stof zodat ze comfortabel in de auto konden klimmen want Newfoundlanders springen niet en optillen kan je ze ook niet. Toen kwamen de buren wel kijken. Om er hun afkeuring over uit te spreken.

Een gewone straat. Ik zou er voor geen goud willen wonen.

zaterdag 8 april 2017

Cultuurbarbaar

Ik heb er een gezien. Echt waar. Ik was er vlakbij, had haar zo kunnen aanraken. Ik was zelfs in haar huis, in haar badkamer zelfs! Verder ging het niet, ik kwam daar niet voor de lol. Al kreeg ik wel een kopje koffie van haar moeder. Terugdenkend zijn er genoeg hints geweest waarop ik had kunnen doorvragen maar het gebeurde niet. Het speelde zich namelijk allemaal in mijn volstrekte argeloosheid af.







Het is een gewone hoekwoning in een gewone straat. De eerste aanblik beloofde niet veel goeds maar dat viel honderd procent mee. Laat mij uw voordeur zien en ik vertel u wie u bent. Maar deze uitzondering bevestigt die regel maar weer eens. Eenmaal binnen is het een nette bewoning. Ik zie twee gitaren en schilderijen die op de grond tegen een zwarte kast staan. Op een van de schilderijen staat Herman Brood. Ik weet niet wie de schilder is want ik heb het niet gevraagd. Op de tafel ligt een digitale camera. Ik brand natuurlijk van nieuwsgierigheid maar ik krijg niet veel los. Wel wordt duidelijk dat de dochter des huizes een vlog bijhoudt. En dat ze singer-songwriter is. Gevat als ik ben merk ik op dat zichzelf begeleidt op gitaar. “En op piano….”, merkt ze droogjes op. De zwarte kast is een piano. Dat had ik in de gauwigheid niet eens gezien.

Trouwe lezers weten dat ik niet zo ben van de bekende Nederlanders. Dat ligt aan mij. Ik kijk namelijk niet zo heel veel televisie en op de radio heb ik een zender staan zonder dj. Of presentator. Of hoe die gasten ook mogen heten. Vorig jaar schreef ik al eens over Vlieland. Daar strompelde je zowat over de BN-ers maar ik had niets in de gaten. Zo liepen wij eens over de straat, er is daar maar één straat, en iedereen keek mij met grote ogen aan en liet zijn of haar onderkaak zakken. Ik dacht vergenoegd dat de lezersschare van Denap een ontzagwekkende omvang had bereikt tot ik in de gaten kreeg dat er 10 meter achter ons een hele bekende Nederlander liep. Echtgenote heeft me ongetwijfeld medegedeeld wie het was. Maar dat ben ik vergeten zoals er wel meer belangrijke wetenswaardigheden zijn die mijn andere oor net zo hard uitvliegen als ze door het ene zijn binnengevlogen. Jawel, de vorige zin moest ik zelf ook twee keer lezen. 
Echtgenote is beter met BN-ers. Ze is er zelfs eens tegenaan gelopen. Een nu zeer bekende politicus liep namelijk eens op een veel te drukke kerstmarkt in Leer Dtsl. en bleef plotseling stilstaan. Boem. Hij keek achterom en keek mij verontwaardigd aan. En ik deed niks! Echtgenote deed het! Nu schiet me overigens te binnen dat ik wel eens een BN-er heb gezien. Die woonde toen ergens in Drenthe. In de gang hing een levensgrote poster van hemzelf. Hij moet erg blij met zichzelf zijn geweest vermoed ik. Vraag mij niet naar zijn naam want die weet ik niet. Maar hij had lang geleden met zijn band dat liedje geschreven en gezongen van die oude Heinekenreclame. July, July, July, Julaaai ging het liedje. (Is het Freudiaans dat ik me uitgerekend nu iemand van een bierreclame herinner? Net nu ik probeer te minderen?) En tevens moet ik erbij zeggen dat wij ook in Ter Apel bekende NL-ers hebben, twee zangers en een wereldberoemde componist. En vlakbij in de Mussel hebben we die bekende boer van Boer zoekt vrouw.

Mijn confrontatie met de prachtige jongedame die bekend is zonder dat ik dat wist heeft ook een artistieke moeder. Moeder houdt namelijk een blog bij en daarin schrijft ze onder andere over het verloop van de carrière van haar dochter. Dat vond Denap natuurlijk reuze interessant. Zodra ik thuis kwam heb ik dan ook meteen gegoogled. U merkt dat ik niet scheutig ben met namen noemen. Dat komt omdat ik de gewoonte heb om mijn onderwerpen anoniem te houden. Als ik het heb over Grietje in Oude Pekela wees er dan zeker van dat ze niet Grietje heet en niet in Oude Pekela woont. Ooit, heel lang geleden gebruikte ik eens in een verhaal een echte naam. Dat was van een naar verluid onvindbare verloren liefde. De volgende dag bleek ze in hetzelfde dorp te wonen als het onderwerp van mijn verhaal. Onmiddellijk heb ik toen de naam veranderd en het verhaal op punten herschreven.
Dus ik kan u niet vertellen wie deze bekende singer-songwriter is en waar ze woont. Laat ik volstaan met de mededeling dat ze hard werkt aan haar carrière en hoopt op de grote doorbraak. Aan haar optreden in DBSSW zal het niet liggen. Bij het afscheid deelde ik mede dat onze firma om de vier jaar komt om de mechanische ventilatie na te zien en dat ik bij die eventuele volgende gelegenheid om haar handtekening zal vragen omdat de grote doorbraak dan inmiddels ongetwijfeld heeft plaatsgevonden. Ze lachte me vriendelijk toe. En ik had nog steeds niets in de gaten. Cultuurbarbaar.

zondag 2 april 2017

Jeugdliefde

Het stel zit tegenover elkaar. Zij zit op de bank. Hij zit in zijn elektrische leunstoel. Een luxe geval. De bediening gaat met tiptoetsen. Het bedieningspaneel zit heel comfortabel in de armleuning verwerkt. Een compleet opvouwbaar hemelbed volgens meneer. Een duur ding maar volgens de eigenaar kan je je geld maar een keer uitgeven en dan moet het ook maar in een keer goed. Ze kijken stilletjes voor zich uit. De stemming is bedrukt. Op het aanrecht staan drie kopjes klaar. De buurvrouw komt koffie drinken. De monteur moet ook een bakkie meedoen. Een vierde kopje wordt klaar gezet. Ik mag in de grote stoel naast meneer. Buurvrouw komt naast mevrouw op de bank. We zitten elkaar een tijdje zwijgend aan te kijken. Het is drie uur. “Rotkanker”, zegt meneer, “Het is weer terug. Ben er een jaar af geweest. Nu is het er weer. We zouden naar Gran Canaria. Dat hebben we eerst maar afgezegd. Eerst maar eens zien hoe dit verder gaat. Deden ze niet moeilijk over, maar we hadden dan ook een annuleringsverzekering”. 
We krijgen een honingkoekje bij de koffie. Een keihard ding van 3 bij 6 centimeter en ongeveer een halve centimeter dik. Ik snap niet dat in zo’n klein koekje nog calorieën zitten maar dat zal wel zo zijn. Dat wordt dan alweer de derde zonde van vandaag. Vanmorgen kreeg ik op het eerste adres een plak Groninger Koek. Ze had het al voor me klaar gezet en bovendien was het een aardig mens. Dan kan je toch niet meer weigeren? Later die ochtend deed een zeer oud breekbaar mannetje per ongeluk suiker en melk in mijn koffie. Vies, maar ik heb er maar niks van gezegd want het ging allemaal al moeizaam genoeg.
Meneer komt duidelijk niet van hier. Mevrouw en de buurvrouw wel. Die gaan in het Gronings met elkaar. Meneer is geboren in Utrecht maar hij verstaat het wel want hij woont al vanaf 1967 in de provincie Groningen. Dat maakt mij nieuwsgierig en stukje bij beetje komt het verhaal er uit.

“Van Utrecht weet ik niks want mijn ouders trokken naar Hilversum. Toen moest mijn vader in de oorlog in Duitsland werken. Ruhrgebied. Hij kwam niet terug. Vermist. Moeder hertrouwde met een boer uit Kortenhoef. Daar ben ik opgegroeid. Was ik plotseling boerenzoon. Dat was hard werken. Mijn moeder had een zus, mijn tante, in Warffum. Ook een boeren gezin. In de zomer mocht ik een week naar Warffum. Daar hoefde ik niet te werken van mijn oom. Dan was ik echt vrij. Op een keer was er kermis in Warffum. Dat ging wel even anders dan nu. De kermisklanten kwamen vroeger per schip. Het hele kanaal lag vol met oude pramen en schuiten van de kermis. Ook gingen we vaak naar het zwembad. Op een keer zat er achter het loket een jonge meid. Ik was toen vijftien. We keken elkaar aan en we wisten allebei dat het raak was. Liefde op het eerste gezicht. Het bestaat echt. Ik had haar nog nooit eerder gezien. Een blik door het raampje en pats! Verkocht. Andersom net zo. Vanaf toen ging ik zo vaak ik kon naar Warffum. Vijf uur met de trein. Vier keer overstappen. Als ik eindelijk op het station in Groningen was zag ik zwart van de roet en stonk naar rook. Heel gewoon in die tijd. Iedereen stonk naar rook. En dan was ik er nog niet want dan moest ik nog naar Warffum. Maar het was een harde tijd. En we waren nog zo jong. Uiteindelijk trouwde ze met een vent uit het dorp. Ik ging immers altijd weer terug. Het kon niks worden, de afstand was te groot. Hoewel ik later zelf met mijn vrouw naar Groningen verhuisde heb ik haar nooit meer gezien. Ik reed wel eens door Warffum maar zag haar nooit. Daar woonde ze toen al lang niet meer maar dat kon ik natuurlijk niet weten. 44 jaar hebben we elkaar niet meer gezien of gesproken. Zo ging dat in die tijd. Toen mijn vrouw overleed in 1996 kwam er familie over uit Warffum. Die kenden mijn jeugdliefde. Uiteindelijk vond ik haar terug in Loppersum. Eerst bellen natuurlijk. Het bleek dat haar man in hetzelfde jaar was overleden. Het was winter, het sneeuwde verschrikkelijk. Ik durfde haast niet met de auto de weg op. Maar zij zei het is nu of nooit jongen, als je wat wil moet je nou komen want ik wacht niet nog eens 44 jaar op je. Dus ik in de auto. Tomtom bestond nog niet. Ik kende heg noch steg in Loppersum en ik zag geen hand voor ogen door die rotsneeuw. Uiteindelijk heb ik bij een willekeurig huis aangebeld. Ja, wat moest ik. Pure wanhoop. Ik was ten einde raad, bang haar weer te verliezen hoewel ik haar 44 jaar niet had gezien. Die mensen kregen medelijden. Ze vroegen bij wie ik moest zijn. Bleek ze er tegenover te wonen. Ik had zonder het te weten pal voor haar deur geparkeerd! Ik ben die avond niet meer naar huis gegaan. Ik was 59 en zij was 58. En het was meteen als toen in 1952. Meteen weer smoorverliefd en we hebben elkaar geloof ik drie dagen niet meer los gelaten….”.
Ik kijk naar mevrouw tegenover me op de bank. Ze glimlacht met tranen in haar ogen. “Je kon immers ook niet terug door de sneeuw………….”.

Volgens buurvrouw konden ze wel op televisie. Opsporing verzocht. Nee, het heet anders, met die Robert van de Brink. Nee, die heet anders, Robert ten Brink. Ja, die was het. Memories. Memories heet dat op televisie waar ze wel in konden. Oh nee, dat is met Anita Witzier. Maar dat wil meneer niet: “Geen polonaise aan mijn lijf.” En dan: “Rotkanker.”

vrijdag 10 maart 2017

Groot Westerwolde

Gisteren had ik mijn laatste klusje in Bad Nieuweschans. Ik bedacht dat ik best eens even over Oude Schans en Bellingwolde terug kon rijden. Gewoon om eens te zien wat we er nou precies bijgekregen hebben nu ook de Eerste Kamer akkoord is met de Grote Eenwording. Gaat u mee? 


Over de Hamdijk richting Oudeschans. Vlak voor Klein Ulsda passeren we de Westerwolder gemeentegrens. Via de Oudeschanskerweg bereiken we Bellingwolde. Dat gaat zo nog een klein half uur door tot we uiteindelijk vlak na Vriescheloo de N368 bereiken. Ik begrijp nu waarom mevrouw Kompier ons zo graag aan de Cittaslow wilde hebben. Het schiet gewoon voor geen meter op. Alras bereiken we Vlagtwedde. Dan gaat het richting Ter Apel. Dat schiet trouwens ook voor geen meter op dus wat betreft passen we wel bij elkaar. Ik moet zeggen dat Bellingwolde er wat pipjes uit zag. Behoorlijk wat ruïnes en verrommelde boeren erven. Dat is even een aandachtspuntje voor het toekomstige gemeentebestuur. Zo kun je geen toeristen ontvangen. Maar het was dan ook een Artikel 12 gemeente voordat het schip met geld uit Vlagtwedde kwam.

Verder heeft Groot Westerwolde behoorlijk wat te bieden: twee middeleeuwse vestingen, een middeleeuwse burcht en een middeleeuws klooster. Verder hebben we prachtige 17e-eeuwse boerderijen en andere mooie gebouwen. En schitterende natuur. Ongetwijfeld ben ik wat bijzondere kerkjes vergeten te noemen. Het lijkt me dat we met dit gegeven een uniek toeristisch verkoopargument hebben. Wat dat betreft kunnen we het zonder Onstwedde en Smeerling ook wel redden. Maar wie weet wat er nog komt.
Punt van zorg is het burgemeesterschap. Ik hoop dat mevrouw Kompier het wordt. Al verschillen we van mening over het bestuurlijk nut van deze fusie. Maar aan haar ben ik nou eenmaal gewend. Van foto’s en zo. Verder maakt het me niet uit. In mijn tijd als Kloosterwieker was het altijd spannend of de nieuwe burgemeester wel geschikt was als Buutmateriaal. Dat ging gelukkig altijd goed, al kwam er wel eens een voorbij die zijn taak in de buut behoorlijk serieus nam. Gelukkig hoefde ik nooit contact te zoeken met de nieuweling. Bobo’s zijn nou eenmaal niet zo mijn ding. Ik kan er slecht mee omgaan en voel me in hun buurt niet op mijn gemak. We, of beter gezegd jullie, zullen trouwens ook een nieuwe gemeenteraad moeten kiezen. De kans dat ik dan ook ga stemmen is zeer klein. Ik ben de laatste keer nog niet vergeten. De betekenis van het woord ‘unaniem’ is mij na de laatste gemeenteraadverkiezingen iets te ver opgerekt.

Ik woon met veel plezier in Westerwolde. Het is hier veel te mooi om er weg te trekken. Of het zich nou over drie gemeenten uitstrekt of dat het onderdeel is van een grote, nu nog fictieve, gemeente Zuid Groningen maakt niet uit. De schoonheid van Westerwolde wordt er niet anders van. De burgers moeten worden bestuurd en de gemeentelijke taken moeten worden uitgevoerd. Jaren geleden schreef ik dat ik me niet voor kon stellen dat de minister het goed zou vinden dat wij hier een rustiek houten hek zouden timmeren rond Reservaat Westerwolde. Ik kreeg ongelijk. Minister Plasterk vind het zelfs zo mooi dat hij zei: “Ik zou er zó naar toe zou gaan…..”. Kan hij ook makkelijk zeggen. De dagen van het kabinet zijn geteld en na hem de zondvloed. De rapporten Grenzeloos Grunnen I en II kunnen wat Westerwolde betreft bij het oud papier. Niet dat iemand op de gemeentehuizen ze ooit gelezen heeft trouwens. Plasterk vermoedelijk ook niet. Maar genoeg er over. We zijn nu Groot Westerwolde en we zullen er het beste van moeten maken. Cittaslow weliswaar, maar toch.