dinsdag 12 september 2017

Lief zijn voor de Antichrist

Ik neem een stukje aarde in beslag, ik heb het vruchtgebruik van de grond waarover ik loop en dat wordt dan nog net gedoogd, maar eigenlijk doe ik er helemaal niet toe. Ik behoor weliswaar tot de diersoort mens maar dan van een mindere soort. Een Untermensch. Slachtvee. Disposable.

Schrijven over religie lukt niet met een scherpe pen gedoopt in zuivere, bijna transparante natuurinkt maar dat kan alleen met een 14 centimeter blokkwast uit de bouwmarkt, druipend van de zwarte koolteer. Schrijven over religie is als met een 40 ponds kloofbijl een luciferstokje splijten in 10 exact gelijke flintertjes fineer. Dat gaat altijd mis. Je raakt altijd wel iets wat je niet wilt raken. Er is altijd wel iemand geraakt die je had willen ontzien. Het zij zo. Er zijn zo’n zeven miljard mensen op aarde. De helft daarvan geloofd in iets bovennatuurlijks, de andere helft niet. Van die drieënhalf miljard gelovige mensen wereldwijd zijn er pakweg vijfhonderdduizend bevindelijk gereformeerd. En die wonen in Nederland. En alleen die kolonie doet er toe. De rest kan weg. Die worden vroeg of laat vernietigd door de Antichrist.

Ik moet eerlijk zeggen dat ik tot voor kort niet wist wat werd bedoeld met de Antichrist. In mijn onschuldige katholieke jeugd werd zulke taal niet gebezigd. Op de kleuterschool leerden wij van de nonnen een liedje, een gebedje eigenlijk. Het ging zo: “Lieve Heertje, geef mooi weertje, geef een mooie dag, dat het zonnetje weer schijnen mag.” Later op de Bonifatiusschool ging het verhaal van Jezus voornamelijk over lief zijn voor elkaar. De nadruk lag op fatsoen, op barmhartigheid en op naastenliefde. Wat gij niet wilt dat u geschied, doe dat ook een ander niet. Het ging over de balk in je eigen oog en over de splinter in die van de ander. Alleen dat stukje over de andere wang toekeren was aan mij niet zo besteed. Over de Antichrist werd met geen woord gerept.

Als praktiserend atheïst schop ik wel eens tegen heilige huisjes aan en wie de bal kaatst kan hem terug verwachten. Zo overkwam het me laatst dat iemand mij vroeg of ik soms de Antichrist ben. Nu moet ik eerst even ter verduidelijking een vergelijking maken met Sinterklaas: als je niet in Sinterklaas geloofd, moet je dan nog bang zijn om in de zak meegenomen te worden naar Spanje? Precies. Dus omdat ik niet geloof dat er een god is zeggen begrippen als ziel, hemel, hel en zoals nu dus de Antichrist mij niet zo veel. Aanvankelijk nam ik het voor kennisgeving aan. Maar omdat ik niet wist wat dat was ging ik op onderzoek uit. Zo kwam ik er achter dat de Antichrist wel zo ongeveer het allerergste is wat de diepgelovige mensheid kan overkomen. Ze kunnen mij afvallige noemen, of ongelovige, of dwalende, of verloren ziel, of gemakshalve gewoon atheïst wat eigenlijk het meest voor de hand ligt, maar geen Antichrist. Antichrist gaat over eindtijd, over beesten die uit de zee komen en beesten die van het land komen en die krijgen het volk achter zich en zo vernietigen ze de hele aarde en alles wat daarop is. Of zoiets. Alleen de Nederlandse club van 500.000 wordt gespaard. Er zijn zelfs, los van de bijbel, hele boeken over de Antichrist geschreven. Een hooggeleerde dominee schreef in zo’n werkje dat Adolf Hitler ook een Antichrist was want die had het land Israël verminkt. Dat het land Israël pas in 1948 is opgericht als gevolg van een VN-resolutie op grondgebied van een Britse kolonie toen Adolf Hitler al lang en breed dood was is natuurlijk slechts een detail…. Iemand, vermoedelijk uit die club van 500.000 gezien haar devotie voor de Antichrist, plaatst mij dus doodleuk even op hetzelfde niveau als Adolf Hitler.

De aanleiding was een artikel op de Facebookpagina ZwolleNu. Gelovige mensen hadden voor de school bijbels uitgedeeld aan middelbare scholieren. Ouders waren daar niet van gediend en die klommen in de pen. Er werd veelvuldig op gereageerd. Het viel me op dat van de zijde van degenen die het uitdelen van de bijbels niet zo erg vonden en verdedigden, het argument kwam dat reclame voor bijvoorbeeld maandverband, of de Telegraaf, ook erg opdringerig kan zijn. Het was hun om het even. Reclame is irritant en als je het niet bevalt gooi je het weg. Dat is opmerkelijk want kennelijk is het uitdragen van een religieuze overtuiging op de Pyramide van Maslow van hetzelfde niveau als maandverband. Zo van: “Heb je er nog aan gedacht maandverband voor me mee te nemen uit de supermarkt?”, waarop het antwoord luidt: “Nee sorry vergeten, ik was psalmen aan het zingen en zieltjes winnen en bijbels aan het uitdelen. Maar zakdoekjes heb ik wel meegenomen”. Kortom, een volstrekt onhoudbare stelling uit het Handboek Apologetiek. Ik vroeg wat het doel zou kunnen zijn geweest van het ongevraagd in de hand drukken van bijbeltjes in puberhandjes, nog los van de vraag of het dezelfde mentale impact op zo’n kind heeft als reclame voor maandverband. En of men dan werkelijk geloofd dat het ongevraagd uitdelen van bijbels bijdraagt aan het verspreiden van de blijde boodschap. Daarna plaatste ik nog een opmerking over de inhoud van de bijbel en welke impact dat heeft op mensen die niet gediend zijn van religieuze opdringerigheid. Dat was genoeg om de lange tenen van religie te raken.

Dus wee degenen die net als ik niet willen dat een bevolkingsgroep keer op keer een uitzonderingspositie verwerft op wet- en regelgeving die voor ons allemaal zou moeten gelden en die zichzelf daarnaast vrijwillig leefregels oplegt en daarbij eist dat die leefregels ook voor mij moeten gelden. Wij zijn kennelijk van hetzelfde morele niveau als Adolf Hitler. Nou, bedankt dan maar weer. We moeten het er maar mee doen.

De kans dat de dame die mij vergeleek met Adolf Hitler om de eenvoudige reden dat ik niet geloof wat zij geloofd dit stuk ooit te lezen krijgt is denk ik nihil. Maar wens ik haar verder alle goeds toe. Want we moeten lief zijn voor elkaar, heb ik vroeger geleerd.

zaterdag 12 augustus 2017

BiG M 420

We waren in de dierentuin. Niet zo’n modern belevenispark met hier en daar een gnoe en een verdwaalde prairiehond. Nee, dit is een groot bos aan de rand van de stad waar honderden beesten wonen. Parkeren doe je vlak voor de poort en voor de hele dag kost dat net zoveel als een softijsje. Er is één loket en daar koop je een kaartje voor de prijs van Wiener Schnitzel mit Pommes. 

De propvolle shop heeft een vloeroppervlakte van een normale doorzonwoonkamer. Dat is inclusief de diepvries met ijsjes. De toonbank wordt beheerst door een struise dame van middelbare leeftijd die waakt over haar handel als een wolvin over haar welpen. Verder is er op het park nóg een uitspanning. Ook weer een loket in de muur waar je in de rij gaat staan voor je versnapering. De bezetting achter de balie bestaat uit een stuk of vijf vrouwen die elk een eigen taak hebben. Het is druk op het terras. Maar ze blijven vriendelijk en behulpzaam, ook voor kleine kinderen met ongeduldige moeders. Er is nog tijd voor een kwinkslag links en rechts. De dierentuin ziet er uit als Dierenpark Emmen vroeger maar dan met achterstallig onderhoud. Bij de tijgers vraag je je ongerust af of het stuk kippengaas van drie meter hoog voldoende is voor als het beest echt naar buiten wil. Waarschuwingsbordjes zijn overbodig, je laat het wel uit je hoofd om dichterbij te komen. De giraffen en de struisvogels hebben alle ruimte om de inhoud van de kinderwagen te besnuffelen. Ouders worden geacht zelf op hun kroost te letten. De hoofdact bestond uit twee bruine beren zoals we mochten opmaken uit het reclamebord. Eenmaal terug, zere voeten en zweet op de rug, schoot het ons weer te binnen: we hebben die beren helemaal niet gezien……

Het leuke van Mecklenburg Vorpommern is verder dat je nog stukjes land tegen kan komen waar de laatste 70 jaar niks meer aan is gedaan. Sla gewoon ergens op een hoofdweg links of rechts af en je bent in een andere tijd. Oude dorpsgezichten zijn nog gewoon als zodanig in gebruik. En dat zonder overbodig onderhoud of mooimakerij. Dat geeft ze een natuurlijke uitstraling. Al staan er tegenwoordig dan wel Japanse en Koreaanse auto’s tussen de rommel, wat overigens niet eens misstaat. Wat verder heel leuk is is dat het personeel in winkels, horeca en de plaatselijke dierentuin veelal bestaat uit volwassen mensen. Het kan dus wel zonder die typisch Nederlandse kinderarbeid. Op de  terugweg gingen we nog langs de supermarkt. De man van de slagerij kon wel raden dat wij uit Holland kwamen. Zelf was hij pas nog in Holland geweest. Noordzeekust. Hij heeft er genoten zei hij. Dat doet me deugd.

Langs het weggetje naar ons vakantieverblijf stond een groot bord. ‘Staudengärtnerei’ stond er op. Een grote pijl eronder gaf de te volgen rijrichting aan. Na twee dagen wilden we persee weten wat Stauden zijn. Na een half uurtje dwalen door de negorij kwamen we weer langs zo’n bord. Het moest vlakbij zijn. Achter een hoge heg stond een kleine hobbykas, nauwelijks groter dan de borden waarmee ze werd aangekondigd. We besloten om thuis maar even op Google te kijken. Terug naar de bewoonde wereld bleven we steken achter een lomp gevaarte wat beide weghelften nodig had. Dit tot groot ongenoegen van tegenliggers en van de auto’s achter ons, want inhalen was onmogelijk. Achterop het ding stond met grote letters de typeaanduiding geschreven. Wat voor machine dat is besloten we ook later op te zoeken. Maar eenmaal met de beentjes omhoog in de ligstoel was ik niet meer zo nieuwsgierig. We zijn nu alweer twee weken thuis. Onder uit een tas kwam een briefje tevoorschijn waarop de woorden Stauden en Big Muro geschreven stond. Stauden was snel gevonden: het is Duits voor vaste planten. Big Muro was een probleem, geen enkele hit. Big Muzo dan? Ook niet. Echtgenote wist nog dat het op die machine stond, je weet wel, waar we achter zaten, toen. Oh ja, dan maar gezocht op achtereenvolgens combines, oogstmachines, merken landbouwmachines, Erntemaschinenhersteller, niets leverde Big Muro of Muzo op. Dan maar eens in mijn  geheugen spitten. Ik kon op de namen komen van Claas, Fendt en John Deere. Meer wist ik niet. Geen resultaat. Uiteindelijk, inmiddels flink geagiteerd, was ik op Google afbeeldingen aan het bladeren. Toen viel mijn oog op het merk Krone. Krone Big Muro ingetypt. Jawel! Ik had iets! Het bleek echter geen Muro of Muzo te zijn maar M 420. Beetje snel opgeschreven onder het rijden. Het betreft trouwens een bovenmaatse grasmaaier. Tien hectare per uur of zoiets.

zaterdag 5 augustus 2017

Naakt zwemmen in de paradijsvijver

Ik zag een filmpje voorbij komen op Facebook. Een ouderwetse videofilm uit 1991. Liefdevol gedigitaliseerd om op de hedendaagse sociale media te kunnen worden getoond. Onze plaatselijke postbode ging met pensioen. Collega’s versierden zijn fiets met ballonnen en slingers. Aan de fietstassen hing een stuk karton waarop met een dikke viltstift iets van ‘Laatste Ronde’ geschreven was. Na de laatste ronde zette hij zijn dienstfiets tegen het postkantoor, gaf zijn collega’s en de directeur een hand en ging naar huis. Veertig jaar post bezorgen en klaar was je. Een baan voor het leven. Je kon je gezin ermee onderhouden en je kreeg er een hypotheek op. Zo ging dat vroeger.









Ik verlang erg terug naar de tijd toen alles nog gewoon was. Toen de rechtbank verzoeken om schadevergoeding voor gemiste schoolfoto’s in het openbaar onderwijs vanwege persoonlijke feestjes nog gewoon niet ontvankelijk zou hebben verklaard. Toen we Sylvana Simons nog gewoon een aai over haar bolletje zouden hebben gegeven: “Ach kind, maak je toch niet zo druk”. Toen mannen en vrouwen nog gewoon zo genoemd konden worden in plaats van te worden aangesproken met Genderneutrale Identiteit. Want u snapt wel dat het woord Mens als aanpreektitel erg onbeschoft gaat overkomen op de aanstaande hulprobotten die zichzelf hebben gemaakt als gevolg en met behulp van kunstmatige intelligentie. Want mens zijn ze niet en uit het woord robot klinkt minachting voor hun tere machinezieltjes. Neen, ze zijn een identiteit. Dan hebben we nog niet gehad over het identiteitsprobleem van dieren. Want sommige dieren zijn net mensen. Terwijl in Groot Brittannië de rechter moest ingrijpen om verder onnodig leed van baby Charlie te voorkomen hielden we in Nederland op Facebook een crowdfundactie om een ten dode opgeschreven demente kat met kanker voor dik 3000 euro een experimentele operatie te laten ondergaan. Tien tegen een dat het mormel een roze halsbandje droeg met een zilverkleurig belletje er aan. Om de vogeltjes weg te jagen als poesjelief er eens achteraan zou willen. En dat terwijl het beest nooit buiten kwam.

Als we al deze waanzin ook nog overgieten met een zoetkleverig spiritueel sausje is het laatste restje gezond verstand, nuchterheid, redelijkheid en billijkheid uit onze maatschappij verdwenen. En dan rennen we elkaar achterna van de ene volstrekt irrelevante hype naar de andere. Straks klinkt het op de perrons: “Beste Genderneutrale Identiteiten, Genderneutrale Identiteit 73 (want treinen zijn dan ook zelfdenkende robots met een gevoel en een ziel) vertrekt van perron 4 met een paar minuutjes vertraging.” En in het Vondelpark staat er straks op de bordjes: “Beste Genderneutrale Identiteiten, het is verboden om uw Genderneutrale Identiteiten in het gras te laten schijten. Gebruik bij ongelukjes de daarvoor bestemde Genderneutrale Identiteitenstrontopraapzakjes.” Ziet u het al voor u? Genderneutrale beschuit met muisjes, genderneutrale kinderkleertjes. Het bange zwangere meisje vraagt tijdens de feestelijke nul-uren-echo bij haar thuis als onderdeel van de babyshower, waar het hele dorp voor is uitgelopen, aan de geilkwijlende echoscoopbediener of het kind toch vooral geen uiterlijke kenmerken van geslacht vertoont. Bij de burgerlijke stand wordt bij het vakje geslacht ‘nee’ ingevuld: het kind is ongeslacht geboren. Godsamme, hou toch op.

Ondertussen zal  de verdediging van onze landsgrenzen tot zoiets banaals zijn gereduceerd dat alle genderneutrale defensiemedewerkers verplicht op schildercursus moeten met een roze bril op. Want ook de Mohammedaanse IS strijders die met hun kromzwaarden aan de poorten van de stad staan te rammelen zijn Genderneutrale Identiteiten. Op zondagmiddagen dartelen we allemaal in onze wijdvallende bloemetjesjurken naar de plaatselijke parkvijver om te zien hoe een kunstenares voorzichtig een rietveld inloopt, er geknakte stengels uitplukt, deze op haar mobiele werktafel onder een parasol spalkt en schildert en deze vervolgens onder luid applaus terugplaatst. Daarna schrijft ze er een versje over wat we allemaal hardop moeten nazeggen. Dit verzin ik niet hé, stond vandaag nog in de krant.

Wat leven we toch in een ideale wereld. Iedere eenling of marginale minderheid kan de evolutie door de rechter laten stilleggen vanwege hun Calimero-complex. Minderheidsdictatuur heet zoiets. Verbazend wat een eenling teweeg kan brengen. Dat doet me denken aan wat God zei toen hij Eva betrapte op naakt zwemmen in de paradijsvijver: “Verdomme Eva, nou krijg ik die lucht nooit meer van die vissen af.”

zaterdag 8 juli 2017

Ze is dood.

Ik stond in haar woonplaats vroeger op de markt. Met brood en banket. Bakkerij Het Stoepje, voorheen De Mikke. Daar verscheen ze bijna wekelijks aan mijn kraam. Jaren lang. Ze bleef ook wel eens een paar weken weg, maanden ook wel, maar kwam altijd weer terug. “Hé hallo, ook weer in de grote stad? Gevulde koeken in de aanbieding mevrouw!”. En dan herken je elkaar als je elkaar tegen komt maar meer is het nooit geweest. Hoeft ook niet wat mij betreft want anders komen er binnen de kortste keren 500 man op je verjaardag en dat kan de bedoeling niet zijn. Nog even los van het idee dat ik dan ook 500 verjaardagen zou moeten bezoeken. Theoretisch dan hè.







Als ik haar zou moeten omschrijven dan zou ik zeggen dat ze een zacht karakter had. Ze keek altijd wat zorgelijk vond ik. Maar omdat ik nou eenmaal graag de clown speelde achter de kraam, wat trouwens behoorlijk omzet verhogend werkt op de markt, kwam er vroeg of laat altijd wel een glimlach tevoorschijn. Ook als ze wat langer moest wachten omdat het druk was. Verder sprak ze met een zachte stem en die verhief ze nooit. Soms sloot ze even haar ogen en wachtte een paar seconden en dan keek ze me weer aan. Dan wist ik dat ik me gedeisd moest houden en even moest luisteren. Verder kwam er van haar kant nooit een onvertogen woord. Nooit. Ik zei altijd beleefd ‘mevrouw’ tegen haar want ze was een stuk ouder dan ik. Dat is trouwens wel gek. Ik heb altijd het idee gehad dat bijna iedereen ouder is dan ik. Aan de kraam kwamen veelal oudere klanten, mensen waar je verder zaken mee deed, vertegenwoordigers en ander los lopend spul, allemaal ouder. Maar de laatste jaren is dat beeld wat aan het kantelen. Geen idee hoe dat kan. Mensen die ik niet ken spreken mij vaak zomaar spontaan aan met meneer. Of soms hangen ze een verhaal aan mij op waarvan ik denk: ‘Jezus, kind, ik had je vader kunnen zijn. Moet ik dit allemaal aanhoren?’ Maar andersom kan ook. Laatst was ik in een woning van een jongeman en die begon meteen met jij en jouw alsof ik bij hem in de klas had gezeten. Dat voelde toch ook wel heel apart. “Nou ja, zal er wel bij horen, had ik maar niet zo oud moeten worden”, zei mijn pa altijd.

Even terug naar de mevrouw aan de kraam. Na mijn vertrek van de markt heb ik haar vanzelfsprekend nooit meer gezien. Maar jaren geleden kwam ik haar via mijn huidige werk weer tegen. Meteen was er de herkenning, van beide kanten. “Goh, dit is ja heul wat aans as op’t maarkt stoan ja.”, meende ze. Daar moest ik haar wel gelijk in geven. Toevalligerwijs kwam ik juist in haar woning wat vaker dan normaal want in haar ventilatiesysteem moeten elk half jaar filters worden vervangen. En onlangs belde ik daar weer aan en toen deed er een onbekende mevrouw open. Eerst dacht ik even dat het een dochter was of een zus of zo, of gewoon iemand die daar op bezoek was, en dat ik haar dan straks wel in de kamer zou zien. Maar de kamer zag er heel anders uit. En ik wist zeker dat ik in het juiste huis was. Ze woonden hier net vijf weken. Wat of er dan wel met de vorige bewoner is gebeurd. “Ik heb heurt dat ze is overleden….”, hetgeen later door buren werd bevestigd.

Ik moest er even van bijkomen. Iemand die je eigenlijk helemaal niet kent maar ergens toch ook weer wel is dan zomaar dood. Ze had er de jaren wel voor hoor, daar niet van. “Dik in overuren”, zeggen we dan. En dood gaan we allemaal een keer heb ik me laten vertellen. Maar het was toch wel een beetje een schok.

woensdag 28 juni 2017

Honni soit qui mal y pense….

Het standpunt van de schilder bevind zich schuin boven het dak. Alsof de schilder vanaf een elektriciteitsmast naar beneden kijkt. De kleur van de muren is donkerrood, paars bijna. Het gras en de bladeren aan de bomen zijn van hetzelfde heldere groen. De lucht is strakblauw. Er is geen contrast tussen lichte en donkere plekken en van schaduw is geen sprake. Alle voegen zijn ingetekend in helder grijs. De bakstenen zijn veel te groot, de voegen veel te dik. De toeschouwer kijkt tussen de bomen op de voorgrond door naar het huisje. Daardoor lijkt het net alsof het huisje op een punt balanceert, als betrof het een kubuswoning van Piet Blom. De bomen lijken vlak voor het huisje te staan en toch belemmert geen van de bomen het zicht op het huisje. Daardoor lijkt het huisje veel te klein in verhouding tot de rest van het schilderij. De schilder had kennelijk moeite met het vinden van het perspectief, het bepalen van de verhoudingen en met het mengen van de kleuren. Het werk is wel gesigneerd. Ik denk dat de schilder het uit het hoofd heeft gemaakt, zonder foto of voorbeeld. Gewoon zoals het hem voor de geest stond. Maar wie ben ik om er iets van te zeggen?

Het schilderijtje hangt aan de muur in de gang van het appartement op de eerste verdieping. Over het algemeen hebben ouderen teveel spullen. Die vulden de schier oneindige ruimtes van de oude vertrouwde vrijstaande woning. Komt men ter bezichtiging naar een seniorencomplex met een atrium dan lijkt zo’n appartement nog heel wat. Zodra het bankstel en het wandmeubel op hun plek staan zie je de beperkingen. De beschikbare wandruimte heeft net genoeg plaats voor de onvermijdelijke foto’s van kinderen, aangetrouwden en kleinkinderen. Een enkele overleden dierbare past er nog wel bij. Maar voor erg veel kunst is er geen plaats. Amateurkunst wordt bewaard vanwege de herinneringen die aan een object kleven of uit piëteit met de kunstenaar. Wat niet in de kamer past komt in de gang aan de muur. Wat daar ook niet past maar wat men desondanks niet kwijt wil komt op de galerij aan de muur. De rest gaat onvermijdelijk naar de kringloop. Het huisje op het schilderij is het huisje waar een overleden dierbare in de eerste lijn nog heeft gewoond. Heel lang geleden. De schilder was in de verte ook nog familie. Hij moest tante zeggen tegen iemand die in de verte ook nog familie was. Het huisje stond in een gehucht in Westerwolde, niet ver van de plaats waar het seniorencomplex staat.


Op de derde verdieping valt mijn oog op een schilderijtje van een huisje. Hier hangt het op de galerij aan de muur. Het voorportaal van de kringloop. Gelukkig heeft een seniorencomplex met atrium veel galerijmuur. Je kunt er amateurkunst van vele generaties op kwijt. Maar er zijn te weinig seniorencomplexen zodat veel kunst alsnog in de kringloop verdwijnt. Ik zet mijn leesbril er bij op. Het is een schilderij, geen drukwerk. De overeenkomsten met het werk op de eerste verdieping zijn overduidelijk. Het is hetzelfde huisje en dezelfde schilder. Aan het werk kent men de meester. Dit schilderijtje is niet gesigneerd. Je kunt als kunstschilder niet aan de gang blijven met dat gesigneer, moet de kunstenaar gedacht hebben. Misschien vond de schilder oude huisjes in gehuchten een heel mooi onderwerp om te schilderen en lijken dit soort huisjes in Westerwolde gewoon allemaal op elkaar. Of was er een andere inmiddels overleden dierbare die ook eenzelfde schilderij van de ouderlijke woning wilde. We zullen het nooit weten. De eigenaar wilde het eerst wegdoen. Maar ach, het was een link naar het verleden. Het was, hoe verrassend, het huisje van een overleden dierbare in de eerste lijn. De schilder schijnt ook nog familie te zijn geweest. Maar dat wist hij niet zeker. Het huisje moet hier in de buurt hebben gestaan, waar precies wist hij niet meer. Ik vroeg of hij soms familie heeft hier in de flat. Dat bleek niet het geval te zijn. Daar heb ik het maar bij gelaten. Wie ben ik om er wat van te zeggen?

zondag 4 juni 2017

Gat in de Wapiti

Op zoek naar plaatjes van indianen surfte ik langs een website met een namengenerator voor indiaanse namen. Ik hoopte op iets als Dappere Adelaar of Witte Veder. Bevreesd was ik voor Ranzige Bunzing of Kwakende Kikker. Nee, het werd Gat in de Wapiti. Moet ik hier nou blij mee zijn? Slaat het Gat in de Wapiti op de anus van de Noord-Amerikaanse versie van ons edelhert? Of is het Gat ontstaan omdat ik in een vorig leven als indiaan buitensporig bekwaam was in het doorboren van het hart van een rennende Wapiti op 100 meter afstand met een door mijn krachtige arm geworpen kunstig zelfgemaakte speer? Zelf nijg ik naar de laatste optie. Maar zeer verrast was ik op de verwijzing naar Wapiti. Daarvoor verwijs ik graag naar mijn jeugdherinneringen betreffende het Wapitigebied (Denap, 13 januari 2017). Is dit toeval? Of is er dan toch iets spiritueels aan de hand? Zelf nijg ik naar de eerste optie. Het kan ook zijn dat de programmeur van de namengenerator er een paar slimme algoritmes heeft ingebouwd die razendsnel in het wereldwijde web een link hebben gevonden tussen mijn naam en het woord Wapiti. Algoritme is een woord wat je tegenkomt in moderne spionageromans. Het is iets waarmee de goeden en de kwaden elkaar op het internet te lijf gaan. Meer weet ik er niet van.

Maar genoeg hierover. Misschien moet ik even uitleggen hoe ik bij de indianen terecht ben gekomen. Dat komt omdat ik op mijn expedities door huurwoningen op zoek naar (sporen of resten van) mechanische ventilatie vaak geconfronteerd wordt met afbeeldingen van Dappere Krijgers. Veelal in combinatie met dromenvangers die aan het plafond hangen en afbeeldingen van wolven. Wolven en indianen hebben kennelijk iets met elkaar. Indianen, op een enkele Pocahontas na, zijn bijna altijd oude mannen met gerimpeld gelaat. Niet alleen als poster of schilderij maar zelfs complete standbeelden kom ik tegen. Het toppunt van kitsch vind ik de 3D-posters waarbij het gezicht of borstbeeld van het opperhoofd als een spook uit het doek naar voren komt. Laats was ik in een huis waar de hele inrichting was samengesteld uit attributen van inheemse volkeren. De indianen en dromenvangers waren gecombineerd met bamboe, middeleeuws wapentuig, Afrikaanse beelden en Djembés. Grappig vond ik een scalp van een van zijn slachtoffers. Het bleek gelukkig echter te gaan om een oude pruik. Volgens de bewoner is het inderdaad een allegaartje van culturen en tijdperken maar past dat samen in een stroming van mensen die Fantasy als hobby hebben. Pseudomystiek. Er zijn hele festivals van waar men samenkomt en elkaars kostuum met bijbehorende act bewonderd en waar kramen zijn waar men Fantasy-attributen kan kopen. De laatste keer dat ik in zijn woning was liep hij rond in een lange jurk. Ik keek daar niet meer van op.

Wat mij echter opviel was de uitdrukkingen van die eindeloze stroom indianenplaatjes. Ze kijken allemaal, maar dan ook echt allemaal, echt, geen fake news, ik meen het, geloof me, vertrouw me, strontchagrijnig. Indianen waren vroeger allemaal strontchagrijnig. Niemand uitgezonderd. Echt. Wat moet dat een treurig en mistroostig zooitje zijn geweest in die wigwamdorpen. Geen lachje kon er af. De hele dag liep men daar in die tentenkampen rond met een chagrijnig gezicht: “Hoe was je dag Eenzame Wolf?”, “Ach, hou toch je bek Pocahontas…….” Zoiets stel ik me voor. Een en al ellende.

Op mijn surftocht op het internet (Denap doet soms summier vooronderzoek voor zijn stukjes) kwam ik langs echte oude zwart-witfoto’s van indianen. En wat bleek? Ook op de originele foto’s die ongetwijfeld als voorbeeld hebben gediend voor die wanstaltige kitschposters kijken ze ook allemaal chagrijnig. Daar keek ik wel van op. Tot voor kort dacht ik dat die gezichtsuitdrukkingen expres door de tekenaar waren aangebracht en moesten duiden op een soort grote wijsheid of pseudo-melancholie maar nu weet ik dat ze inderdaad zo uit hun ogen keken. Verder onderzoek bracht aan het licht dat op oude zwart-witfoto’s uit West-Europa uit die tijd de mensen ook allemaal zo’n uitgestreken smoel trokken. Zal wel iets te maken hebben met het wantrouwen ten opzichte van figuren die met een zwarte mantel over hun hoofd door een gat in een vierkante zwarte doos naar je keken en dat je dat na enkele dagen kon terug zien op een stuk dik papier.

Of dat voor die indianen ook gold weet ik niet. Kan ook zijn dat ze zo chagrijnig waren omdat ze zojuist bijna waren vermoord door die blanke vreemdelingen maar op het nippertje werden gespaard omdat ze door die bloody foreigners zonodig als curiositeit tentoongesteld moesten worden. Dan zou ik ook strontchagrijnig kijken. Misschien kijkt Donald Trump, de man die de Verenigde Staten terugwerpt naar de donkerste middeleeuwen, daarom wel zo chagrijnig. Hij is ook gewoon bang voor bloody foreigners.

zondag 14 mei 2017

Zalig zijn de eenvoudigen van geest

Als J.K. Rowling een boek schrijft over een voor gewone mensen onzichtbaar en onvindbaar kasteel waar kinderen les krijgen in toveren, zich verplaatsen via de brandende open haard en vliegende auto’s en dan onderweg klappen krijgen van een woedende boom, vind iedereen dat eigenlijk heel normaal. Oké, toveren kan niet echt maar het is knap geschreven, spannend en vooral de verfilming is prachtig om te aanschouwen. Ook zijn hele generaties opgegroeid met een zeshonderd jaar oude man die gekleed in een rode mantel op een wit paard over de daken rijdt om cadeautjes door de schoorsteen te gooien. Ook als je in een flat twaalf hoog woont. En met wolven die omaatjes en geitjes opeten, die dat echter gewoon overleven. En met boze heksen en onschuldige kinderen die op miraculeuze wijze de strijd tegen die heksen telkens weer weten te winnen. Iedereen snapt dat deze verhalen niet waar gebeurd zijn.

Er is iets aan de hand met onschuldige kleine kinderen in combinatie met dingen die niet kunnen. Het is een thema wat voor vele doeleinden geschikt is. Zo is er een heel oud boek wat vol staat met dingen die niet kunnen zoals tovenarij, onmogelijke natuurverschijnselen, wrede koningen en onschuldige kinderen die daar het slachtoffer van zijn. Volgens mij heeft Rowling dat boek eens goed bekeken, zich achter de oren gekrabd en gedacht: “Dat kan ik ook, maar dan beter.” Dat is haar goed gelukt al had haar marketingcampagne niet de kracht en het volume van tweeduizend jaar indoctrinatie. Daardoor wordt dat oude boek klakkeloos als waarheid geaccepteerd en worden de boeken van Rowling en de gebroeders Grimm als sprookjes afgeserveerd.

Gisteren zag ik op het journaal de heiligverklaring van twee Portugese kinderen langs komen. Mijn mond viel open van verbazing. Hoe is dit mogelijk? Het antwoord ligt voor de hand: in godsnaam. In een tijdperk waar huilende madonna’s gewoon stenen beelden blijken te zijn die door een oude priester op stille momenten van tranen werden voorzien, waar wonderen natuurverschijnselen bleken te zijn of toevalligheden die door belanghebbenden met valse verklaringen werden verdraaid tot dingen die toch ‘zeker geen toeval meer konden zijn’, krijgt het Vaticaan het voor elkaar om twee kleine kinderen heilig te verklaren omdat ze een personage uit het voornoemde tweeduizend jaar oude sprookjesboek zouden hebben gezien. Ik heb eens even gegoogeld en stuitte op een heuse website, beheerd door een Nederlandse stichting die god betere het ook nog eens de ANBI-status heeft gekregen en daar ook nog trots op is. Op die site staat letterlijk beschreven hoe een en ander in zijn werk ging. Van een engel die uit de hemel kwam en die de kinderen voordeed hoe ze moesten bidden en vooral hoe vaak ze het moesten doen, die uiteindelijk met de aankondiging kwam dat Maria zelf ze zou bezoeken die ze van alles zou vertellen. Het is werkelijk te bizar voor woorden. Men verwijt mij wel eens dat ik religie ridiculiseer. Nou, dat doen ze toch echt zelf. Natuurlijk ging het er over dat de kinderen erg zouden lijden maar dat ze het konden dragen omdat ze na hun dood bij Jezus zouden zijn. Typisch christendom om altijd maar weer onschuldige kinderen te laten lijden en dat goed te praten met de onvermijdelijke allesverzoenende dood. Ook deed Maria allerlei voorspellingen en liet ook nog eens drie geheimen achter die door het Vaticaan werden gekoesterd. Niemand mocht weten wat die geheimen waren want anders was het immers niet meer geheim. Hoe die geheimen dan op genoemde website, en ook op Wikipedia, terecht zijn gekomen is een bijkomstigheid waar we niet over moeten vallen vrees ik.

Met Maria is wat geks aan de hand. Naast deze Portugese kindertjes heeft ze dat geintje vaker geflikt. Bekend is ze van Lourdes natuurlijk, maar ook in het nabijgelegen Heede, hier vlak over de grens in Duitsland, is ze op bezoek geweest in 1934. Ook weer bij een stel kleine meisjes die in een schuur aan het spelen waren terwijl de ouders het zo druk hadden met Frühschoppen dat ze de kinderen totaal vergeten waren. Maria zoekt kennelijk kinderen op uit eenvoudige orthodox katholieke milieus, door hun ouders op pad gestuurd om geiten te hoeden, hout te sprokkelen of gewoon even uit het oog verloren, helemaal alleen in een bos of veld, overgeleverd aan hun eigen fantasie en gedurende langere tijd geen volwassene in de buurt om zaken te relativeren of de kinderen in de werkelijkheid terug te laten keren met een glaasje ranja, een knuffel of een aai over de bol. Zonder de juiste duiding gaan kinderen met hun fantasieën op de loop. Er zitten monsters onder hun bed en de favoriete pop kan echt dingen terug zeggen die alleen de poppenmoeder kan horen. Dagen lang alleen op een berghelling om op de geiten te passen leidt tot enge beesten achter een struik en een zonnestraal tussen het gebladerte door kan zomaar een geestverschijning zijn. Maria zoekt juist die kinderen op om aan te verschijnen. Naast de gebruikelijke rimram over de rozenkrans die de kinderen ook van de pastoor horen vertelt Maria hen ook over grote wereldse zaken. En dat is gek. Want als ik Maria zou zijn en ik heb een boodschap voor de hele mensheid dan zou ik een ander podium zoeken dan een arm ongeletterd kind in een kleine afgesloten katholieke dorpsgemeenschap. Dat is ook zoiets, Maria doet het alleen bij katholieke kindertjes, nooit bij gereformeerde kindertjes.

Ik vraag me toch werkelijk af of de paus en zijn gevolg dit zelf allemaal geloven. Zijn ze er echt van overtuigd dat god naast zijn zoon lang geleden nu nog steeds engelen en zelfs de moeder van zijn zoon die echter niet zijn vrouw is, naar de aarde stuurt? Of is het poppenkast voor de simpele ziel om het geloof en de trouw aan de kerk in stand te houden? Of om de geldstroom op gang te houden? Mijn ouders waren zeer gelovige katholieken. Zouden zij echt geloofd hebben in huilende beelden en Mariaverschijningen? Ik kan het me niet voorstellen, sterker nog, ik weet haast wel zeker dat zij dit met een flinke korrel zout zouden hebben genomen. Niet geheel toevallig is het christendom ontstaan in Rome. Daar waar de Romeinse keizers heersten over de halve wereld. En die hadden al een truc om het morrende gepeupel koest te houden: “Geef het volk brood en spelen”.