Vroeger reed er langs dreven en velden in onze prachtige streek een tram. Stoomtramwegmaatschappij Oostelijk Groningen. Afgekort OG, in de volksmond verbasterd tot Ol Graitje. Oude Griet, voor degenen die mijn dialect niet machtig zijn. Ol Graitje is aangelegd in een tijd waarin er nog nauwelijks verharde wegen en auto’s waren. Al in 1886 werd er over de wenselijkheid van een vorm van openbaar vervoer gesproken maar pas in 1906 kwamen bestuurders voor het eerst bijeen om het er eens serieus over te hebben . In 1912 was de oprichting een feit en in 1915 reed de eerste tram. Zes jaar had men voor de besluitvorming nodig, in een tijd waarin brieven nog op papier werden geschreven en middels een postkoets werden bezorgd.
Over een tram in de stad Groningen wordt al vanaf 1997 gepraat maar pas in 2007 start het projectbureau RegioTram met het uitwerken van het plan. Nu, terwijl de aanbestedingen al zijn begonnen is het project alsnog afgeschoten. Er zijn vele verharde wegen in de stad en vele auto’s en bussen. Maar al die auto’s en bussen nemen zoveel plaats in dat er niet genoeg ruimte meer overblijft om ermee te rijden.
In 1906 begreep iedereen dat de tram moest worden aangelegd, er was immers helemaal niets, en bestuurders woonden letterlijk en figuurlijk te ver van elkaar om ruzie met elkaar te krijgen. Er bestonden wel verslaggevers maar die klopten toen nog netjes aan alvorens ze iets opschreven.
In 2012 begrijpt niemand elkaar nog en bestuurders zitten zo dicht op elkaars lip dat het wel tot een handgemeen moet komen. De alom aanwezige media produceren gretig tekst, beeld en geluid waarvan de relevantie bij tijd en wijle ver te zoeken is.
Er is nog een groot verschil tussen Ol Graitje en RegioTram. En dat is de invloed van EEP. EEP zit diep geworteld in het openbaar bestuur. Naar mijn persoonlijke inschatting heeft 95% van alle bestuurders en politici, van gemeentelijk tot landelijk, er last van. Die resterende 5% laat ik over als vluchtweg voor mensen die zich niet aangesproken voelen. EEP is de reden dat ik niet meer ga stemmen. Het is een aandoening die er voor zorgt dat iemand überhaubt bestuurder of politicus wil worden, die besluitvorming op zijn minst stagneert en in veel gevallen zelfs blokkeert en die tevens de grootste nieuwsbron is van, hoe zeg ik dat nou voorzichtig, minder serieus te nemen media. Zonder EEP had de tram in Groningen al kunnen rijden of was men er in 2007 niet eens aan begonnen, in ieder geval zou er een besluit zijn genomen waar iedereen zich aan gehouden zou hebben.
Oh ja, waar de letters EEP voor staan? Ego, eigenbelang en partijgeneuzel.
zaterdag 20 oktober 2012
vrijdag 12 oktober 2012
Vroeg naar bed
Het is koud. Na een dag in de bergen in de stralende zon koelt het ’s avonds snel af. In het dorp waar we zijn is een heus Oktoberfest georganiseerd. Het stuk openbare weg voor het Gasthaus is afgezet en daar tegenover op een stuk braak liggend terrein bedekt met zwarte steenslag staan twee biertenten, een vrachtwagen welke dienst doet als podium voor de muziek en een half open tent met tafels en banken in de bekende feesttentopstelling. Op het terras voor de herberg wordt in een au bain-marie Weisswurst warm gehouden. Mijn hoop op Bratwurst is daarmee vervlogen.
Het personeel in de biertent waar wij bij staan is vanavond bijzonder gemotiveerd. In mijn geheugen staat, onder het thema ‘Oktoberfest’, het beeld gegrift van een jonge blonde godin, gehuld in een diepe decolleté, met tussen haar gigantische borsten een groot aantal volschuimende bierpullen geklemd, met een uitnodigende knipoog veel pret voor later belovend. Het beeld verdient enige bijstelling. Op onze suggestie om ons te voorzien van drie halve liters bier kijkt ze ons verschrikt aan. Bier? Na enig aarzelen komt het arme kind, zo rond de 120 kilo en gehuld in spijkerbroek en slobbertrui, terug om te vragen welke inhoudsmaat gewenst is. Wij herhalen onze keuze voor een halve liter. Slobbertrui knikt begrijpend maar al na enkele seconden weet ze een nieuwe vraag te formuleren. Deze keer wil ze weten hoeveel halve liters er dienen te worden toebereid. Wij herhalen goedmoedig het gewenste aantal. Slobbertrui weet nu genoeg en deelt de inhoud van haar kortetermijngeheugen met een oudere dame van hetzelfde postuur verpakt in een groezelig jasschort. Jasschort luistert ingespannen en bestudeert ons vervolgens aandachtig. Dan besluit ze dat Slobbertrui haar verhaal past bij ons verschijningsbeeld en gaat aan het werk. Al snel bereiken ons drie halve liters bier in plastic bekers.
De Tiroler Kapel speelt ondertussen de sterren van de hemel. Tussen het glimmende koperwerk ontdekken wij een heuse harp, met een schattige dame aan het roer. Fanatiek duwt en trekt ze aan de snaren maar helaas brengen ze geen geluid voort. Na elke set bestookt de orkestleider ons met onhoorbare wetenswaardigheden. Aan zijn gezicht te zien is het erg grappig. Het schaarse publiek staat echter gewetenloos met de rug naar hem toe. Dat vinden wij wat al te gênant en daarom gaan we wat dichter bij de muziek staan en applaudisseren uitbundig. Meewarige blikken zijn ons deel.
Gaandeweg wordt het wat drukker. Ten tonele verschijnen jongeren in veel te luchtige kledij. De meisjes staan met hun blote armen dicht bij elkaar in een poging onderkoeling te voorkomen. De jongens stappen breedgeschouderd rond met in elke hand een yoghurtemmer bier. Er verschijnt een vrouw ten tonele met in haar kielzog een laag maar zeer breed zwart-wit hondje. De bovenlippen van het dier slepen over de grond en het zuigt alles naar binnen wat als eetbaar wordt beoordeeld. Op enig moment besluit de vrouw dat het iets verkeerds heeft opgezogen. Als medicijn worden het arme dier worst, mosterd en gras gevoerd. Het heeft het beoogde effect. Na wat kokhalzen produceert het hondje een grote plas witte kots. Mevrouw roert op haar hurken zittend nog even met een luciferstokje in de witte plas, op zoek naar bruikbare resten. Het hondje slobbert intussen alweer opgelucht nieuw straatvuil naar binnen.
Tegen de tijd dat de bodems van onze plastic bekers in zicht komen heeft onze zo hoopvol begonnen feeststemming het vriespunt bereikt. Gelukkig is het in ons onderkomen lekker warm en in de gezellige woonkeuken verblijden we ons met bier-in-een-glas en een hartversterkertje. En morgen gezond weer op.
Het personeel in de biertent waar wij bij staan is vanavond bijzonder gemotiveerd. In mijn geheugen staat, onder het thema ‘Oktoberfest’, het beeld gegrift van een jonge blonde godin, gehuld in een diepe decolleté, met tussen haar gigantische borsten een groot aantal volschuimende bierpullen geklemd, met een uitnodigende knipoog veel pret voor later belovend. Het beeld verdient enige bijstelling. Op onze suggestie om ons te voorzien van drie halve liters bier kijkt ze ons verschrikt aan. Bier? Na enig aarzelen komt het arme kind, zo rond de 120 kilo en gehuld in spijkerbroek en slobbertrui, terug om te vragen welke inhoudsmaat gewenst is. Wij herhalen onze keuze voor een halve liter. Slobbertrui knikt begrijpend maar al na enkele seconden weet ze een nieuwe vraag te formuleren. Deze keer wil ze weten hoeveel halve liters er dienen te worden toebereid. Wij herhalen goedmoedig het gewenste aantal. Slobbertrui weet nu genoeg en deelt de inhoud van haar kortetermijngeheugen met een oudere dame van hetzelfde postuur verpakt in een groezelig jasschort. Jasschort luistert ingespannen en bestudeert ons vervolgens aandachtig. Dan besluit ze dat Slobbertrui haar verhaal past bij ons verschijningsbeeld en gaat aan het werk. Al snel bereiken ons drie halve liters bier in plastic bekers.
De Tiroler Kapel speelt ondertussen de sterren van de hemel. Tussen het glimmende koperwerk ontdekken wij een heuse harp, met een schattige dame aan het roer. Fanatiek duwt en trekt ze aan de snaren maar helaas brengen ze geen geluid voort. Na elke set bestookt de orkestleider ons met onhoorbare wetenswaardigheden. Aan zijn gezicht te zien is het erg grappig. Het schaarse publiek staat echter gewetenloos met de rug naar hem toe. Dat vinden wij wat al te gênant en daarom gaan we wat dichter bij de muziek staan en applaudisseren uitbundig. Meewarige blikken zijn ons deel.
Gaandeweg wordt het wat drukker. Ten tonele verschijnen jongeren in veel te luchtige kledij. De meisjes staan met hun blote armen dicht bij elkaar in een poging onderkoeling te voorkomen. De jongens stappen breedgeschouderd rond met in elke hand een yoghurtemmer bier. Er verschijnt een vrouw ten tonele met in haar kielzog een laag maar zeer breed zwart-wit hondje. De bovenlippen van het dier slepen over de grond en het zuigt alles naar binnen wat als eetbaar wordt beoordeeld. Op enig moment besluit de vrouw dat het iets verkeerds heeft opgezogen. Als medicijn worden het arme dier worst, mosterd en gras gevoerd. Het heeft het beoogde effect. Na wat kokhalzen produceert het hondje een grote plas witte kots. Mevrouw roert op haar hurken zittend nog even met een luciferstokje in de witte plas, op zoek naar bruikbare resten. Het hondje slobbert intussen alweer opgelucht nieuw straatvuil naar binnen.
Tegen de tijd dat de bodems van onze plastic bekers in zicht komen heeft onze zo hoopvol begonnen feeststemming het vriespunt bereikt. Gelukkig is het in ons onderkomen lekker warm en in de gezellige woonkeuken verblijden we ons met bier-in-een-glas en een hartversterkertje. En morgen gezond weer op.
dinsdag 2 oktober 2012
Stamppot
Op de vloer ligt donkergrijs kamerbreed tapijt. De klassieke meubelen zijn van het type donker eiken. Een tweezits, een driezits en een fauteuil, bekleed met grijsblauw velours met ingeschoren bladerenmotief. Verder is een salontafel, een wandmeubel, een set bijzettafeltjes, een lage televisiekast en een lectuurbak aanwezig. Er is naast het statige meubilair geen ruimte meer voor een full size keukentafel. Er is gekozen voor een kleine vierkante eettafel met een wollen smyrna tafelkleed. Er staan 4 stoelen omheen waarvan er twee zonder grote meubelverplaatsingen te bereiken zijn. De andere twee staan klem tegen aanrecht en wandmeubel. Het meubilair verkeert in onberispelijke staat. Verder is er schaars omgesprongen met woonaccessoires. Het is opvallend netjes in het kleine appartement. Er ligt niets wat er niet hoort te liggen, geen krant of post, geen naaiwerkje of puzzelboekje, niets verraadt de bezigheden waarmee mevrouw haar dagen vult. Het grootste deel van de wanden wordt in beslag genomen door het wandmeubel, het aanrecht, een grote glazen erker en deuren naar de slaapkamer en hal. De ruimte die overblijft is nauwelijks voldoende om de ingelijste foto’s van de indrukwekkende kinderschaar te omvatten die zeker drie generaties beslaat. In een nis in het wandmeubel staat een foto van haar echtgenoot zaliger, met een elektrisch kaarsje ervoor. In een verloren hoekje hangen nog enkele foto’s uit een reeds lang vervlogen zwart-wit tijdperk. Het koffiezetapparaat staat aan, de Engelse kopjes-met-schoteltje staan op tafel, er staan extra schoteltjes met plakken koek. Niemand verlaat haar koninkrijk zonder koffie te hebben gedronken aan de kleine vierkante tafel. Vanuit mijn positie heb ik het zicht op een klein messing kruisbeeld boven de deur. Een verdorde palmtak steekt er nog achter. Alsof we Pasen net achter de rug hebben.
Omdat het er brandschoon is en het fornuis is bedekt met een geborduurd linnen kleedje vermoed ik dat mevrouw warm eet in de eetzaal. Dat is slechts ten dele waar. Ze houdt er van om af en toe nog zelf te koken. Mevrouw is trots op haar culinaire kwaliteiten. Op nieuwjaarsdag bijvoorbeeld, komen er meer dan 30 klein- en achterkleinkinderen op bezoek. Zij heeft dan een stevig gevulde groentesoep klaar staan en een indrukwekkende hoeveelheid stamppot. Om 11 uur komen de eersten en om 4 uur is de zaak weer aan kant. Het is het evenement van het jaar. Oma’s stamppot is geliefd en beroemd. Zelfs de verpleging rept er over. Steevast heeft mevrouw een paar lepels stamppot klaar staan voor de verzorgers van dienst.
Nu, in oktober, beginnen de kleinkinderen alweer te vragen of het dit jaar toch wel weer doorgaat, op nieuwjaarsdag. Stamppot eten bij oma. De vragen bereiken mevrouw per telefoon of via het personeel. Over een paar weken, zo rond Sinterklaas en tegen Kerst, wordt het weer druk in oma’s appartement. De chocoladeletters worden dan in ontvangst genomen en oma wordt uitgebreid bejubelt. Dan zullen ze ook de palmtak wel weer weghalen en vervangen door een rode papieren opvouwbare kerstklok en een dennentak. Als de naalden daarvan vallen op het onberispelijke donkergrijze kamerbrede tapijt zal de verzorgster ze opzuigen en uiteindelijk de kerstversiering weghalen. Met Pasen komen de kleinkinderen weer.
Omdat het er brandschoon is en het fornuis is bedekt met een geborduurd linnen kleedje vermoed ik dat mevrouw warm eet in de eetzaal. Dat is slechts ten dele waar. Ze houdt er van om af en toe nog zelf te koken. Mevrouw is trots op haar culinaire kwaliteiten. Op nieuwjaarsdag bijvoorbeeld, komen er meer dan 30 klein- en achterkleinkinderen op bezoek. Zij heeft dan een stevig gevulde groentesoep klaar staan en een indrukwekkende hoeveelheid stamppot. Om 11 uur komen de eersten en om 4 uur is de zaak weer aan kant. Het is het evenement van het jaar. Oma’s stamppot is geliefd en beroemd. Zelfs de verpleging rept er over. Steevast heeft mevrouw een paar lepels stamppot klaar staan voor de verzorgers van dienst.
Nu, in oktober, beginnen de kleinkinderen alweer te vragen of het dit jaar toch wel weer doorgaat, op nieuwjaarsdag. Stamppot eten bij oma. De vragen bereiken mevrouw per telefoon of via het personeel. Over een paar weken, zo rond Sinterklaas en tegen Kerst, wordt het weer druk in oma’s appartement. De chocoladeletters worden dan in ontvangst genomen en oma wordt uitgebreid bejubelt. Dan zullen ze ook de palmtak wel weer weghalen en vervangen door een rode papieren opvouwbare kerstklok en een dennentak. Als de naalden daarvan vallen op het onberispelijke donkergrijze kamerbrede tapijt zal de verzorgster ze opzuigen en uiteindelijk de kerstversiering weghalen. Met Pasen komen de kleinkinderen weer.
zondag 23 september 2012
Dennenwolfsklauw
Zijn appartement verraadt dat de man alleen woont . Alle typische mannendingen liggen gewoon in de kamer, daar waar een man ze het liefst heeft, onder handbereik. Samenwonende mannen ruimen hun typische mannendingen op omwille van de lieve vrede en om ruimte te maken voor typische vrouwendingen, die wel in de kamer mogen liggen.
Midden in de kamer staat, naast de aan de kant geschoven salontafel, een robuust camerastatief. Het is ingesteld met de kop op kniehoogte en de er op bevestigde dure digitale camera is op de grond gericht. Meneer heeft iets met fotografie, dat is duidelijk. Enthousiast vertelt hij dat hij zich heeft gespecialiseerd in macro-opnamen van zeldzame plantjes. Hij heeft een vriend die bioloog is en die leert hem wat hij heeft gefotografeerd. Het gaat de fotograaf hoofdzakelijk om het plaatje, niet zozeer om het onderwerp. Er komt een luxe aaifoon tevoorschijn en daarop tovert meneer de prachtigste foto’s tevoorschijn op handpalmformaat. Dennenwolfsklauw, veenbloembies, getande kaaszwam, grote aardster, noem maar op en hij heeft er een plaatje van. Hoe zeldzamer hoe mooier. Van dat opnoemen kwam overigens niets terecht want ik weet helemaal niks van zeldzame plantjes. Zolang het groen is en het de grond aan het oog onttrekt vind ik het best. Moeders water over Moeders natuur is mijn devies. Plotseling is het hele scherm gevuld met een prachtig exotisch exemplaar. Of het zeldzaam is betwijfel ik maar het is vrouwelijk, beeldschoon geportretteerd en knap belicht. En naakt.
Wat mij betreft is het onderwerp van de foto bij uitstek iets wat een alleenwonende man graag onder handbereik zou willen hebben, al was het maar voor een uur, maar daar vergis ik me toch lelijk in. Ook in dit geval ging het alleen om het plaatje en niet om het onderwerp. Volgens mijn gastheer verliest een hobby namelijk zijn charme als het terug begint te praten. Ach ja, een fotograaf is ook maar gewoon een man.
Midden in de kamer staat, naast de aan de kant geschoven salontafel, een robuust camerastatief. Het is ingesteld met de kop op kniehoogte en de er op bevestigde dure digitale camera is op de grond gericht. Meneer heeft iets met fotografie, dat is duidelijk. Enthousiast vertelt hij dat hij zich heeft gespecialiseerd in macro-opnamen van zeldzame plantjes. Hij heeft een vriend die bioloog is en die leert hem wat hij heeft gefotografeerd. Het gaat de fotograaf hoofdzakelijk om het plaatje, niet zozeer om het onderwerp. Er komt een luxe aaifoon tevoorschijn en daarop tovert meneer de prachtigste foto’s tevoorschijn op handpalmformaat. Dennenwolfsklauw, veenbloembies, getande kaaszwam, grote aardster, noem maar op en hij heeft er een plaatje van. Hoe zeldzamer hoe mooier. Van dat opnoemen kwam overigens niets terecht want ik weet helemaal niks van zeldzame plantjes. Zolang het groen is en het de grond aan het oog onttrekt vind ik het best. Moeders water over Moeders natuur is mijn devies. Plotseling is het hele scherm gevuld met een prachtig exotisch exemplaar. Of het zeldzaam is betwijfel ik maar het is vrouwelijk, beeldschoon geportretteerd en knap belicht. En naakt.
Wat mij betreft is het onderwerp van de foto bij uitstek iets wat een alleenwonende man graag onder handbereik zou willen hebben, al was het maar voor een uur, maar daar vergis ik me toch lelijk in. Ook in dit geval ging het alleen om het plaatje en niet om het onderwerp. Volgens mijn gastheer verliest een hobby namelijk zijn charme als het terug begint te praten. Ach ja, een fotograaf is ook maar gewoon een man.
zondag 9 september 2012
De nieuwe auto
Meneer en mevrouw zijn er maar wat trots op dat ze een nieuwe auto hebben besteld. Ze moeten er wel twaalf weken op wachten, hetgeen het gewicht van de zaak aanzienlijk verhoogd. Om het wachten te bekorten kregen ze alvast een model mee. Het staat parmantig op de namaakschoorsteenmantel te pronken in zijn kleine hardplastic vitrine. Ik mag het bestuderen en betasten terwijl meneer er over opgeeft hoe fantastisch de nieuwe wagen is en hoe slim hij het aankoopspel heeft gespeeld. Die lange wachttijd bijvoorbeeld komt omdat hij een heel bijzondere, en natuurlijk erg zeldzame, uitvoering heeft besteld. Zwart moet de auto zijn, met een wit dak. Wel heb je ooit. En, heel apart, de achterraampjes moeten persee met zo’n ouderwetse handslinger worden opengedraaid terwijl het standaard elektrisch geschied. Dat heeft meneer bedongen uit veiligheidsoverwegingen. Mocht men eens te water raken dan kan men handmatig het voertuig verlaten, als het elektriek het door de nattigheid begeeft. Hoe het echtpaar op hun leeftijd over de leuningen van hun luxe fauteuils gaan klauteren op weg naar de vrijheid, op de bodem van de Verlengde Hoogeveensche Vaart, is mij een raadsel, maar voor het echtpaar slechts bijzaak. Het gaat om het succesverhaal en zo vaak zal men niet te water raken. Belangrijker is het dat het echtpaar verder alle denkbare opties in de wagen wenst aan te treffen, op de elektrische achterraambediening na, en juist die combinatie maakt dat ze er lang op moeten wachten en het maakt de uitvoering ook duurder. Tja, je moet er wat voor over hebben en je moet het ook kunnen doen natuurlijk, maar als het om de eigen veiligheid gaat is alleen het beste goed genoeg.
Denk nu niet dat mevrouw er al die tijd maar stilletjes bij zit, o nee. Om het verhaal van haar wederhelft kracht bij te zetten benoemt ze de relevante technische aspecten, afgewisseld met enkele typische autoverkoperswijsheden die men niet bij een dame zou verwachten. Triomfantelijk kijk ze me aan en ze geeft zelf maar vast antwoord op de niet gestelde vraag: “Ja ja, mijn zoon handelt in auto’s”, terwijl ze geroutineerd een visitekaartje tevoorschijn tovert, “en dan vang je wel eens wat op hè”.
Op mijn opmerking dat meneer dan zeker een bijzondere korting heeft geregeld bij zijn zoon blijft het ongemakkelijk stil. Neen, de zoon van de vrouw is niet de zoon van de man. En bij die kerel koopt meneer geen auto’s. De ballon met trots en vreugde is uitelkaar gebarsten. Het is tijd om op te stappen.
Denk nu niet dat mevrouw er al die tijd maar stilletjes bij zit, o nee. Om het verhaal van haar wederhelft kracht bij te zetten benoemt ze de relevante technische aspecten, afgewisseld met enkele typische autoverkoperswijsheden die men niet bij een dame zou verwachten. Triomfantelijk kijk ze me aan en ze geeft zelf maar vast antwoord op de niet gestelde vraag: “Ja ja, mijn zoon handelt in auto’s”, terwijl ze geroutineerd een visitekaartje tevoorschijn tovert, “en dan vang je wel eens wat op hè”.
Op mijn opmerking dat meneer dan zeker een bijzondere korting heeft geregeld bij zijn zoon blijft het ongemakkelijk stil. Neen, de zoon van de vrouw is niet de zoon van de man. En bij die kerel koopt meneer geen auto’s. De ballon met trots en vreugde is uitelkaar gebarsten. Het is tijd om op te stappen.
zondag 2 september 2012
Uit de serie bekentenissen: De Club.
Zo frequenteer ik nog wel eens een club. In een naburige grote plaats. In ons dorp vind men een dergelijke uitspanning niet. Het ligt lekker anoniem ergens op een industrieterrein, een ruimte achter een bestaand bedrijf, zodat het voor ter plaatse onbekenden niet als club herkenbaar is. Ik parkeer meestal achter een vrachtwagen. Ons huwelijk is tegen deze persoonlijke escapade zeer wel bestand. Een nadeel is wel dat de clubruimte onvoldoende wordt geventileerd. De kenmerkende geur trekt in de kledij. Het gebeurt wel eens dat mijn echtgenote bij thuiskomst zegt dat ze kan ruiken dat ik weer in de club ben geweest. Gênanter wordt het meestal nooit.
Zo’n clubavond verloopt volgens een vast ritueel. De vaste gasten komen meestal rond dezelfde tijd binnen. We beginnen met koffie, soms met koek, en we praten wat over clubaangelegenheden, koetjes en hun nakomelingen, en ook wel eens over privé- en/of zakelijke beslommeringen. Je kunt er vrijelijk spreken want we weten niet veel meer van elkaar dan de voornaam en wat op de club besproken wordt blijft daar ook. Dat vertrouwen moet er gewoon zijn. Na enige tijd verdwijnt ieder in de krochten van het gebouw om datgene te doen waarvoor men gekomen is. Soms in gezelschap, soms alleen. Ja, ook alleen, de club voorziet namelijk in alle attributen die voor een persoonlijk onderhoud met jezelf nodig zijn. Zelf vind ik het prettig om mijn eigen spulletjes van huis mee te nemen. Zo tegen tienen verzamelen we weer rond de stamtafel. Het is dan tijd voor een biertje en wat napraten.
De kosten vallen alleszins mee. Koffie kost er 60 cent, een koek 50 en een biertje of fris een euro. Verder betaal je een vast bedrag per jaar of half jaar en voor dat geld mag je zo vaak komen als je kunt. Ach, wat zal ik er verder van zeggen. Het is onschuldig vermaak. Men moet zulke zaken niet te serieus nemen. Hoewel men wel eens wat meewarig kan reageren als je verteld dat je lid bent van een modelspoorclub.
Zo’n clubavond verloopt volgens een vast ritueel. De vaste gasten komen meestal rond dezelfde tijd binnen. We beginnen met koffie, soms met koek, en we praten wat over clubaangelegenheden, koetjes en hun nakomelingen, en ook wel eens over privé- en/of zakelijke beslommeringen. Je kunt er vrijelijk spreken want we weten niet veel meer van elkaar dan de voornaam en wat op de club besproken wordt blijft daar ook. Dat vertrouwen moet er gewoon zijn. Na enige tijd verdwijnt ieder in de krochten van het gebouw om datgene te doen waarvoor men gekomen is. Soms in gezelschap, soms alleen. Ja, ook alleen, de club voorziet namelijk in alle attributen die voor een persoonlijk onderhoud met jezelf nodig zijn. Zelf vind ik het prettig om mijn eigen spulletjes van huis mee te nemen. Zo tegen tienen verzamelen we weer rond de stamtafel. Het is dan tijd voor een biertje en wat napraten.
De kosten vallen alleszins mee. Koffie kost er 60 cent, een koek 50 en een biertje of fris een euro. Verder betaal je een vast bedrag per jaar of half jaar en voor dat geld mag je zo vaak komen als je kunt. Ach, wat zal ik er verder van zeggen. Het is onschuldig vermaak. Men moet zulke zaken niet te serieus nemen. Hoewel men wel eens wat meewarig kan reageren als je verteld dat je lid bent van een modelspoorclub.
woensdag 22 augustus 2012
De Boze Buurman
Ik zie haar op straat lopen door het raam van het huis waar ik aan het werk ben. Een bijzonder pront voorkomen, ietsje zwaar aan de achterhand. Het schaars aanwezige textiel is ternauwernood in staat haar zegeningen te omvatten. Zij duwt een fiets voort, ruim behangen met tassen vol met toekomstig oud papier. Voor elk huis blijft ze staan, de fiets balancerend achterlatend op zijn veel te iele stander. Vlak voor me buigt ze zich voorover om haar vracht door de brievenbus te duwen. Wat haat ik die vitrages voor de voordeur.
Een paar uur later zie ik haar weer. Ze doet de woning open waar ik aanbel. Geroutineerd fixeer ik mijn blik op haar gezicht, twee prachtige bruine ogen verwelkomen me. Als openingszin vraag ik of ze alle folders inmiddels heeft rondgebracht. Dat is het geval, geeft ze lachend toe, hoewel het eigenlijk het bijbaantje van haar dochter is. Dochterlief is groot fan van Justin Bieber. De foto’s van het ventje beheersen de wanden van de overloop vanaf de tweede trede van onder. Bij het afscheid komt het tot een praatje in de deuropening. Of ik al bijna klaar ben in de wijk. Dat is niet het geval, ik ben er de hele week nog. Nou, ik hoef niet naar de buurman, pruilt ze, want die is dood. Net twee weken, na een lang ziekbed. Ik probeer meelevend te kijken maar dat is niet nodig. Ze is blij dat hij weg is.
Buurman was niet erg geliefd in de wijk. Wat er precies aan de hand was wordt niet duidelijk maar hij had met meerdere buurtgenoten ruzie. Ook met haar dus, maar gek genoeg niet met haar dochter. Buurman was gek op haar dochter en dat blijkt dan ook de bron te zijn van de onmin. Buurman was gek op alle jonge dochters in de wijk en met het uitdragen van zijn affectie heeft hij geen vrienden gemaakt. Buurman was naar verluidt, behalve voor jonge dochters dan, een onvriendelijk heerschap en, wellicht verbitterd door zijn slopende ziekte, heeft hij op zijn sterfbed gezegd dat hij na zijn dood iedereen met wie hij ruzie had zou bezoeken. Mijn gesprekspartner had haar schouders erover opgehaald, ze is een nuchter mens.
Maar vorige week was ze op kamp met de tennisclub van haar dochter. Door organisatorische omstandigheden slaapt juist zij in de tent waar alle voorraden zijn ondergebracht. Alleen. Met de geluiden van de nacht. De schaduwen op het tentdoek. Hoort ze in de verte een uil roepen? Zag ze nou echt het silhouet van een vleermuis? Onwillekeurig komen haar gedachten op de overleden buurman. Na een onrustige sluimer schrikt ze op. Ze weet bijna zeker dat ze voetstappen in het gras hoort, een zacht kreunen, een haperende ademhaling. Is het verbeelding? Het zal toch niet……. Plotseling gestommel in de tent! Daar! Achter die dozen! Een schreeuw klinkt door de nacht. Met het eerste het beste voorwerp wat ze op de tast te pakken krijgt haalt ze uit in de richting van het geluid. In dezelfde beweging werpt ze zich tegen de rits, die het gelukkig begeeft, en eenmaal opgekrabbeld stort ze zich in de armen van de inmiddels op het lawaai afgekomen mannelijke kampeerders. Strakke lijven stijf van de adrenaline, gebalde vuisten, onverschrokken blikken, witte knokkels omklemmen zware metalen zaklantaarns, huilende kinderen, redderende moeders. Een vrouw is in nood! Een slaapplaats wordt geregeld tussen twee vrouwen in een andere tent, beschermende armen om haar heen, een laatste diepe zucht. En langzaam daalt de vrede over het kampterrein neer. De maan vervolgt zijn pad langs het firmament, de nacht verstrijkt in het ritme van de slaap.
Bij het eerst daglicht nemen de mannen poolshoogte in de voorraadtent. In een doos met vermorzelde zakken chips treffen ze een veldmuis aan, geplet door een anderhalf literfles cola. Morsdood. Ze kan gerust zijn. De buurman komt geen tweede keer terug.
Een paar uur later zie ik haar weer. Ze doet de woning open waar ik aanbel. Geroutineerd fixeer ik mijn blik op haar gezicht, twee prachtige bruine ogen verwelkomen me. Als openingszin vraag ik of ze alle folders inmiddels heeft rondgebracht. Dat is het geval, geeft ze lachend toe, hoewel het eigenlijk het bijbaantje van haar dochter is. Dochterlief is groot fan van Justin Bieber. De foto’s van het ventje beheersen de wanden van de overloop vanaf de tweede trede van onder. Bij het afscheid komt het tot een praatje in de deuropening. Of ik al bijna klaar ben in de wijk. Dat is niet het geval, ik ben er de hele week nog. Nou, ik hoef niet naar de buurman, pruilt ze, want die is dood. Net twee weken, na een lang ziekbed. Ik probeer meelevend te kijken maar dat is niet nodig. Ze is blij dat hij weg is.
Buurman was niet erg geliefd in de wijk. Wat er precies aan de hand was wordt niet duidelijk maar hij had met meerdere buurtgenoten ruzie. Ook met haar dus, maar gek genoeg niet met haar dochter. Buurman was gek op haar dochter en dat blijkt dan ook de bron te zijn van de onmin. Buurman was gek op alle jonge dochters in de wijk en met het uitdragen van zijn affectie heeft hij geen vrienden gemaakt. Buurman was naar verluidt, behalve voor jonge dochters dan, een onvriendelijk heerschap en, wellicht verbitterd door zijn slopende ziekte, heeft hij op zijn sterfbed gezegd dat hij na zijn dood iedereen met wie hij ruzie had zou bezoeken. Mijn gesprekspartner had haar schouders erover opgehaald, ze is een nuchter mens.
Maar vorige week was ze op kamp met de tennisclub van haar dochter. Door organisatorische omstandigheden slaapt juist zij in de tent waar alle voorraden zijn ondergebracht. Alleen. Met de geluiden van de nacht. De schaduwen op het tentdoek. Hoort ze in de verte een uil roepen? Zag ze nou echt het silhouet van een vleermuis? Onwillekeurig komen haar gedachten op de overleden buurman. Na een onrustige sluimer schrikt ze op. Ze weet bijna zeker dat ze voetstappen in het gras hoort, een zacht kreunen, een haperende ademhaling. Is het verbeelding? Het zal toch niet……. Plotseling gestommel in de tent! Daar! Achter die dozen! Een schreeuw klinkt door de nacht. Met het eerste het beste voorwerp wat ze op de tast te pakken krijgt haalt ze uit in de richting van het geluid. In dezelfde beweging werpt ze zich tegen de rits, die het gelukkig begeeft, en eenmaal opgekrabbeld stort ze zich in de armen van de inmiddels op het lawaai afgekomen mannelijke kampeerders. Strakke lijven stijf van de adrenaline, gebalde vuisten, onverschrokken blikken, witte knokkels omklemmen zware metalen zaklantaarns, huilende kinderen, redderende moeders. Een vrouw is in nood! Een slaapplaats wordt geregeld tussen twee vrouwen in een andere tent, beschermende armen om haar heen, een laatste diepe zucht. En langzaam daalt de vrede over het kampterrein neer. De maan vervolgt zijn pad langs het firmament, de nacht verstrijkt in het ritme van de slaap.
Bij het eerst daglicht nemen de mannen poolshoogte in de voorraadtent. In een doos met vermorzelde zakken chips treffen ze een veldmuis aan, geplet door een anderhalf literfles cola. Morsdood. Ze kan gerust zijn. De buurman komt geen tweede keer terug.
Abonneren op:
Posts (Atom)